Toegang tot passende informatie, recht op en doel van onderwijs, recht op vrije tijd, ontspanning en culturele activiteiten (artikelen 17, 28, 29 en 31 IVRK).
Elk kind heeft recht op onderwijs. Dat recht omvat niet alleen toegang tot onderwijs. Het houdt ook in dat scholen kwaliteitsvol onderwijs verstrekken. In de klas werk je samen met je leerlingen aan een positief, veilig en uitdagend leer- en leefklimaat. Je neemt de gepaste zorginitiatieven op maat van elke leerling. Hoe je daaraan kunt werken, lees je in de bouwsteen Goed onderwijs - krachtige leeromgeving.
Recht op onderwijs houdt in dat je als school financieel toegankelijk bent, dat je bewust omgaat met schoolkosten en dat je, indien nodig, financiële bijstand verleent. Te hoge kosten zorgen ervoor dat onderwijs minder toegankelijk is voor kwetsbare gezinnen. Tips om een kostenbewuste school te zijn, vind je in de bouwsteen Kwetsbaarheid en armoede.
Het betekent ook dat je de leerlingen goed informeert en begeleidt bij onderwijs- en beroepskeuzes (bijvoorbeeld bij overgang van het lager naar het secundair onderwijs, studieverandering in het secundair onderwijs, overgang naar de arbeidsmarkt of het hoger onderwijs). Meer kun je lezen in de bouwsteen Onderwijsloopbaan.
Elk kind heeft recht op rust, vrije tijd, spel en deelname aan culturele en artistieke activiteiten. Spel en ontspanning helpt kinderen optimaal ontwikkelen.
Hoe kun je dit bijvoorbeeld realiseren?
Niet alleen onderwijs stimuleert de ontwikkeling van kinderen, ook een hobby na schooltijd draagt daartoe bij. Ook dan zijn gelijke kansen belangrijk. In Vlaanderen zijn er veel gezinnen die op het vlak van vrijetijdsbesteding worden geconfronteerd met een financiële drempel. Wat kun je als school voor hen betekenen?
Meer informatie over vrijetijdsbesteding voor kwetsbare gezinnen kun je lezen in de bouwsteen Netwerk van de school.
Recht op (over)leven en ontwikkelen, behoud van identiteit, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, verantwoordelijkheden van ouders, recht op en doel van onderwijs (artikelen 6, 8, 12, 13, 14, 18, 28 en 29 IVRK).
Als we kinderen en jongeren willen vormen tot vrije en verantwoordelijke burgers, dan is het belangrijk dat de school een sociale oefenplek is.
Met vallen en opstaan moeten leerlingen zichzelf kunnen leren ontdekken. Ze komen op voor zichzelf, staan open voor anderen en kunnen zich inleven in anderen. Ze leren op een verantwoorde manier initiatief en eigen beslissingen nemen. Ze leren dat eigen vrijheid niet kan leiden tot de aantasting van de vrijheid van anderen. Het opeisen van rechten houdt ook de verantwoordelijkheid in om de rechten van anderen te respecteren en om kinderen van wie de rechten worden misbruikt of ontzegd, te steunen en te beschermen. De ontwikkeling van initiatief en verantwoordelijkheid van leerlingen kun je stimuleren door voor te leven en door de leerlingen regelmatig uit te nodigen tot reflectie, coöperatief samenwerken, dialoog en engagement (zie ook de bouwsteen Goed onderwijs - krachtige leeromgeving). Dit gaat ook samen met het Gemeenschappelijk funderend leerplan voor het secundair onderwijs en de generieke doelen binnen Zin in leren! Zin in leven! voor het basisonderwijs.
Als school sta je in voor het bevorderen van eerbied voor de grondrechten van de mens, en het kind in het bijzonder. Je laat je leerlingen kennismaken met de kinderrechten. De actualiteit en dagelijkse situaties op school kunnen je daarbij helpen. Samen denk je na over de rechten en verantwoordelijkheden van minderjarigen en wat respect voor jezelf, anderen en de gemeenschap betekent. Als kinderen en jongeren het belang ervan inzien, leren ze op een respectvolle manier voor hun eigen rechten en die van anderen op te komen.
INFO
Educatief materiaal rond kinderrechten vind je op de website van:
Non-discriminatie, behoud van identiteit, vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, bescherming tegen mishandeling en verwaarlozing, rechten van vluchtelingenkinderen, kinderen met een beperking, kinderen van minderheden of de oorspronkelijke bevolking (artikelen 3, 8, 14 19, 22, 23 en 30 IVRK).
Zowel een kind op de vlucht, een kind met een beperking, een leerling die elders definitief is uitgesloten, als een leerling van wie de ouders gescheiden zijn, moeten zich welkom voelen op school.
Wanneer ouders hun minderjarig kind in jouw school inschrijven, is de zorg voor die leerling vanaf dat ogenblik een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Vanuit je pedagogisch project garandeer je brede zorg voor alle leerlingen en geef je iedereen (nieuwe) kansen. Als inclusieve school heb je oog voor de unieke talenten van elke leerling, met bijzondere aandacht voor wie het moeilijk heeft of kwetsbaar is. Je creëert een positief en veilig school- en klasklimaat om het welbevinden van elke leerling te bevorderen en tot betrokkenheid en verbondenheid te komen.
Vanuit dat gedachtegoed houd je rekening met het volgende:
Recht op naam en nationaliteit, behoud van identiteit, vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, rechten van kinderen van minderheden of de oorspronkelijke bevolking (artikelen 7, 8, 14 en 30 IVKR).
Kinderen hebben recht op het behoud van een eigen identiteit, om zichzelf te mogen zijn. Op school aanvaard je ieders identiteit en is er ruimte voor dialoog. In gesprek met elkaar leert iedereen er de eigen identiteit vorm te geven, door die te ontdekken, erover na te denken en te verdiepen. Hoe je concreet daarmee op school kunt omgaan, lees je in het fundament Diversiteit en de bouwsteen Taal.
Voor leerlingen maken kledij en andere lichamelijke kenmerken ook een belangrijk deel uit van hoe ze hun identiteit beleven. Houd dit in het achterhoofd als je leefregels opstelt.
Op school leren kinderen omgaan met wat eigen en wat anders is, met wat verbindt en wat onderscheidt. Zo kunnen ze bijdragen aan een open, verdraagzame en duurzame samenleving, waar een plaats is voor iedereen. Reflecteer over hoe je omgaat met nationale, culturele en religieuze verschillen tussen leerlingen en de effecten ervan op je leerlingen. Vraag je leerlingen om daarover mee na te denken. Houd de ruimte voor een gesprek met de samenleving voortdurend open.
INFO
Inspiratie kun je vinden op de website van:
Recht op mening, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, recht van vereniging, toegang tot passende informatie (artikelen 12, 13, 14 en 15 en 17 IVRK).
In een participatief schoolklimaat praten en beslissen de leerlingen mee over de dingen die hen aanbelangen. Je staat als school open voor inspraak en luistert naar de ideeën, vragen, meningen, problemen en bezorgdheden van je leerlingen. Je betrekt hen als een actieve partner in beslissingen. Je geeft hun daartoe heldere en betrouwbare informatie op hun maat en ook het vertrouwen en de geborgenheid om het woord te nemen.
Een positief, warm en communicatief klimaat verhoogt niet alleen het welbevinden en zelfvertrouwen van jongeren, maar stimuleert ook hun motivatie en betrokkenheid. Leerlingen krijgen een groter verantwoordelijkheidsgevoel. Ze leren samen te werken, kritisch te zijn en keuzes te maken. Ze ontwikkelen hun sociale vaardigheden en zelfregulerend vermogen. Het Kinderrechtencommissariaat wijst nog op andere voordelen van een sterk doorgedreven participatief beleid. Participatie zorgt ervoor dat het reilen en zeilen op school beter aansluit bij de noden en behoeften van de leerlingen en creëert een breder draagvlak voor beslissingen, afspraken en activiteiten van de klas en de school.
Participeren aan het schoolleven kan op verschillende manieren. Zowel formeel als informeel kun je aandacht geven aan de participatierechten van de leerlingen. Dat kan op het niveau van de klas of op schoolniveau.
In de klas kan participatie heel spontaan verlopen. Je voorleefgedrag, je houding, je mimiek en je intonatie vormen de communicatiebarometer tussen jou en je leerlingen. Je praat niet alleen over en tegen je leerlingen, maar ook echt mét hen.
Om in je lessen de mening van je leerlingen te vragen over een bepaald onderwerp, stelling of thema, kun je werken met verschillende vormen, zoals een ideeënbus, placemat, proactieve cirkel, kinder- of jongerendebat ...
Je kunt ook meer formele gesprekken organiseren waar jij met je leerling(en) in gesprek gaat (kindercontacten of leerlingencontacten). Dat zijn geplande gesprekken waarbij je bijvoorbeeld het portfolio, werkstuk, stageverslag (in het secundair onderwijs) of rapport gebruikt. Zowel de leef- als leerhouding komen aan bod. Je bespreekt het leer- en ontwikkelingsproces, het welbevinden en betrokken functioneren. Het doel is om écht met de leerling te praten. De leerling wordt uitgenodigd om zelf aan het woord te zijn en te reflecteren op zijn leerproces. De leerling krijgt feedback. Je spreekt eventueel acties af waar je samen aan zult werken. Meer over het voeren van gesprekken met leerlingen, lees je in de bouwsteen Welbevinden.
Je kunt ook werken met een formele spreekbuis, zoals een kinderparlement of leerlingenraad, voor beslissingen die alle leerlingen aanbelangen. Je kunt je leerlingen inschakelen om het beleid op school mee vorm te geven. Het pedagogisch project, waarin de kinderrechten ingebed zijn, vormt dan het kader waarbinnen de leerlingen nadenken over schoolactiviteiten, projecten, schoolverbeteringen …
Wanneer moet je een leerlingenraad oprichten?
Meer over de oprichting en samenstelling van de leerlingenraad lees je op de PRO.-pagina Participatiedecreet: de leerlingenraad.
Scholen secundair onderwijs zijn verplicht een leerlingenraad op te richten. Een uitzondering hierop is enkel mogelijk wanneer in het schoolreglement de betrokkenheid van leerlingen bij het schoolbeleid volgens een alternatieve vorm is verzekerd én als niet minstens 10 procent van de leerlingen (met een minimum van 3 leerlingen) vragen om de oprichting van een leerlingenraad.
In het lager onderwijs is er geen verplichting om een leerlingenraad te hebben, tenzij ten minste 10 procent van de leerlingen uit de leeftijdsgroep van 11 tot 13 jaar erom vraagt (met een minimum van 3 leerlingen).
Enkele thema’s waar je de leerlingen bij kunt betrekken:
Bij de aanpak van conflicten is de investering in dialoog en verbinding onontbeerlijk. Als je een conflict herstelgericht benadert, peil je eerst naar wat er precies is gebeurd, welke gedachten en gevoelens daarbij speelden en wat er nodig is om de relatie te herstellen. Je laat de leerlingen aan het woord en laat hen zelf zoeken naar oplossingen.
Ook als je een sanctie oplegt, is het belangrijk om leerlingen eerst te horen. In tuchtzaken moet de school in een moment voorzien waarop de leerling de kans krijgt om zijn verhaal te doen en eventueel oplossingen voor te stellen (bijvoorbeeld bezwaren afzwakken, feiten ontkrachten, fouten toegeven, schuldbesef hebben of bereidheid tot herstel tonen). Vooraf moeten de ouders en leerling ook het tuchtdossier kunnen inkijken om zich voor te bereiden op dat gesprek. Ze moeten weten wat de klassenraad adviseert en op welke gedragingen en feiten de directeur of zijn afgevaardigde zich in het tuchtdossier baseert.
Vooral in het secundair onderwijs kun je ten slotte nog inzetten op vormen van peer support, zoals leerlingbemiddeling, waarbij leerlingen die verwikkeld zijn in een onderling conflict samenwerken om dat conflict op te lossen. Jongeren verwerven op die manier vaardigheden die ook later van pas komen en leren zorgdragen voor elkaar. De Vlaamse Scholierenkoepel helpt je om dat op je school te implementeren.
INFO
10 manieren om snel de mening van alle leerlingen te weten? (praktijkvoorbeelden)
10 spelregels van leerlingenparticipatie
visie op participatie en www.deconflixers.be/ (peer support)
Recht om samen te leven met ouders, respect voor de leiding door ouders en de groeiende capaciteiten van het kind, recht op gezinshereniging, bescherming van de privacy, verantwoordelijkheden van ouders (artikelen 5, 9, 10, 16 en 18 IVRK).
Ouders zijn de eerste verantwoordelijken voor de zorg, begeleiding en opvoeding van hun kind. Ze zijn ook ervaringsdeskundigen. Ook als het eens botst, waardeer je hun rol. Behandel hen op ieder moment als volwaardige partners. Respecteer hun rechten, ook als dat minder evident is. Denk maar aan de ouder met wie de school voorheen nooit eerder contact had.
Ouders hebben hoge verwachtingen van de school voor de opleiding en opvoeding van hun kinderen. Als school zet je je elke dag in om dat engagement waar te maken, maar in ruil verwacht je wel de volle steun van ouders. In de engagementsverklaring in het schoolreglement tussen jou en ouders maak je na overleg met de schoolraad (en in voorkomend geval de scholengemeenschap en het LOP) wederzijdse afspraken over oudercontacten, regelmatige aanwezigheid en het spijbelbeleid in het secundair onderwijs, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement ten aanzien van het Nederlands.
Als de relatie met een ouder moeilijker loopt, kun je die ouder wijzen op de engagementen in het schoolreglement dat bij de inschrijving voor akkoord is ondertekend.
Wil je meer lezen over een goede samenwerking met ouders en het verhogen van ouderbetrokkenheid, neem dan een kijkje in de bouwsteen Ouders.
Kinderen vallen tot aan hun meerderjarigheid (18 jaar) onder het ouderlijk gezag van hun ouders. Ouders of andere wettelijke verantwoordelijken nemen in het belang van hun minderjarige kinderen voor hen beslissingen. Wel is het ouderlijk gezag evolutief. Dat wil zeggen dat je rekening houdt met de toenemende en ontwikkelende capaciteiten van de jongere, waarbij de ouderlijke verantwoordelijkheid verhoudingsgewijs afneemt. Naarmate jongeren ouder worden en hun capaciteiten groeien, kunnen zij meer invloed uitoefenen en moeten ouders steeds meer rekening houden met hun standpunt. Ook als school respecteer je het standpunt van een leerling in de mate van zijn leeftijd, rijpheid en mogelijkheden.
Naast het traditionele gezin zijn er in onze samenleving heel wat andere samenlevingsvormen. Soms zijn er andere opvoedingsverantwoordelijken dan ouders, zoals voogden, meemoeders, grootouders, plusouders, pleegouders, verantwoordelijken van een gesloten gemeenschapsinstelling. Je gaat na hoe je hen, in het belang van het kind, betrekt in de schoolloopbaan van het kind. Weliswaar respecteer je daarbij wel het wettelijk kader. Meer hierover lees je op de PRO.-pagina Ouderlijk gezag en echtscheiding.
Bijzondere aandacht kan gaan naar kinderen die geconfronteerd worden met een echtscheiding. Het is belangrijk om als school bij echtscheidingen of betwistingen neutraal te zijn tegenover beide ouders. De meeste kinderen verkiezen ook loyaal te blijven aan beide ouders. Kinderen mogen niet het gevoel of het idee krijgen dat ze mogen of moeten kiezen tussen hun ouders. Je kunt als school geen partij kiezen voor een ouder. Je gaat ook discreet om met vertrouwelijke informatie over leerlingen en hun thuissituatie.
INFO
Je vindt materiaal ter ondersteuning van jongeren die het moeilijk hebben met de echtscheiding van hun ouders of die met vragen zitten, op de website van:
Bescherming van de privacy, toegang tot passende informatie, bescherming tegen mishandeling en verwaarlozing, recht op passende levensstandaard, recht op onderwijs, verbod op kinderarbeid, bescherming tegen drugmisbruik, verbod op vrijheidsberoving (artikelen 16, 17, 19, 27, 28, 32, 33 en 37 IVRK).
Generositeit inspireert tot vrijgevigheid, beschikbaarheid en belangeloze inzet die tot de essentie van vorming en opvoeding behoort. Je draagt zorg voor al je leerlingen. Leerlingen die het moeilijk hebben, benader je vanuit je beleid op leerlingenbegeleiding. Je besteedt bijzondere aandacht aan leerlingen die opgroeien in armoede.
Generositeit zegt ook iets over de manier waarop je je leraarschap beleeft. Het is de liefde om leraar te mogen zijn, om je vak te mogen uitoefenen en om jonge mensen mee de wereld te laten ontdekken. Je leerlingen merken dat door de manier waarop je les geeft. Ze zien het ook in de kleine dingen: je toont interesse in hun leefwereld, je vraagt wat zij van iets vinden of je vraagt hoe het met hen gaat. Je draagt al je leerlingen een warm hart toe, maar je schenkt extra aandacht aan bijzonder kwetsbare leerlingen, zoals de leerling die in een jeugdhulpvoorziening verblijft of de leerling die wordt uitgewezen.
Leerlingen adequaat begeleiden bij hun totale ontwikkeling brengt een stroom aan informatie met zich mee. Met die informatie ga je zorgvuldig en discreet om. Als leraar heb je een discretieplicht (= ambtsgeheim). Je houdt vertrouwelijke informatie ‘binnen de muren’ van de school. Ook een kind heeft recht op bescherming van zijn privacy.
Wat doe je best niet?
De leerling heeft vanuit zijn privacyrechten een toegangsrecht tot de gegevens die de school over hem bijhoudt. In principe oefenen ouders dat recht uit; een minderjarige is nog handelingsonbekwaam. Ouders mogen inzage in en toelichting bij het leerlingendossier krijgen. Ook een kopie van het dossier moet je op hun vraag geven.
Vanuit het veranderde kindbeeld mogen we evenwel aannemen dat een minderjarige leerling met voldoende onderscheidingsvermogen zelfstandig zijn privacyrechten kan uitoefenen. Dit is vooral in het secundair onderwijs van belang. Hoewel de leeftijd waarop een jongere over voldoende onderscheidingsvermogen beschikt, verschilt van persoon tot persoon, wordt die doorgaans op 12 jaar gelegd (bijvoorbeeld in jeugdhulpverlening). Als de leerling 12 jaar of ouder is, oefenen zijn ouders zijn privacyrechten niet uit zonder zijn toestemming. Weliswaar doen zij dat enkel in het belang van hun kind.
Ouders hebben natuurlijk wel ouderlijke verantwoordelijkheden. Ze moeten daarvoor toezicht kunnen uitoefenen op de onderwijsloopbaan van hun kind. Ze hebben dus ook een toegangsrecht tot de persoonsgegevens van hun kind (bijvoorbeeld schoolrapport, overzicht van afwezigheden). Toch kan het wenselijk zijn dat je leerlingengegevens van heel persoonlijke aard in het secundair onderwijs niet automatisch doorgeeft aan de ouders (bijvoorbeeld rond geaardheid of problemen van psychische aard). Of en in welke mate je als school die gegevens doorgeeft aan de ouders van de minderjarige leerling, doe je in overleg met de leerling.
Het toegangsrecht is belangrijk voor de wijze waarop je noteert in het leerlingendossier. Hoe je gegevens verzamelt en bijhoudt, zal in overeenstemming met het beleid van je school gebeuren. De contouren daarvan zijn bepaald door de regelgeving met betrekking tot leerlingenbegeleiding, maar ook de Europese regels over privacy (Algemene Verordening Gegevensbescherming). Spring zorgvuldig om met subjectieve formuleringen en vermoedens. Noteer alles met het nodige respect. Schrijf ook enkel iets neer voor zover het relevant is (‘need to know, not nice to know’).
Als een leerling van school verandert, mag je enkel informatie doorgeven aan de nieuwe school die betrekking heeft op de specifieke onderwijsloopbaan van de leerling, meer bepaald de essentiële gegevens die de studieresultaten en de studievoortgang van de leerling bevorderen, monitoren, evalueren en attesteren, én voor zover dat in het belang van de leerling is. Tenzij de overdracht van de gegevens reglementair verplicht is, gebeurt de overdracht niet als de ouders van de minderjarige leerling of de meerderjarige leerling er zich expliciet tegen verzetten na de gegevens te hebben ingezien.
Meer daarover lees je op de PRO.-pagina's:
In het lager onderwijs is het eerder uitzonderlijk, maar het kan voorkomen dat kinderen in contact komen met alcohol of drugs. Kinderen moeten daartegen beschermd worden. Het is zinvol om er preventief aan te werken door gezondheidsbevordering.
Als secundaire school benader je drugsproblematieken vanuit een schooleigen drugsbeleid. Daarbij kun je leerlingen, ouders, de scholengemeenschap, het CLB, politie en externe hulpverleningsinstanties betrekken. Een goed drugsbeleid omvat een preventief en reactief luik. Je stelt een leidraad op voor de aanpak van leerlingen met een middelenproblematiek. Zo’n leidraad bevat niet alleen regels en grenzen, maar ook procedures voor begeleiding en doorverwijzing. Dat maakt dan integraal deel uit van het ruimer gezondheidsbeleid op de school. Meer lees je in de bouwsteen Gezondheid.
INFO
Om jongeren te behoeden voor uitbuiting en tewerkstelling in werkzaamheden die een bedreiging vormen voor hun gezondheid, opvoeding en ontwikkeling, zijn er beschermende maatregelen nodig, zoals een minimumleeftijd voor arbeid en voorschriften voor arbeidsomstandigheden.
In België is het verboden om kinderen arbeid of werkzaamheden te laten uitvoeren. Dat verbod eindigt zodra de minderjarige ofwel 16 jaar is, ofwel 15 jaar is én de eerste graad van het secundair onderwijs beëindigd heeft (al dan niet met vrucht). Er zijn twee uitzonderingen op het verbod op kinderarbeid:
Om arbeid te verrichten in het kader van een leerlingenstage (of een duale opleiding) moeten de leerlingen dus wél minstens 15 jaar zijn (of 16 jaar als ze de eerste graad niet voltooid hebben).
Een leerlingenstage is een leerrijke ervaring op de werkvloer. Voor leerlingen is het zinvol om aanvullende praktijkervaring te kunnen opdoen in reële arbeidssituaties. De doelstellingen van de leerlingenstages maken onderdeel uit van de goedgekeurde leerplannen. Je respecteert daarbij de leeftijdsgrens en alle reglementaire welzijns-, arbeids-, en onderwijsaspecten.
INFO
Lees meer over de regelgeving rond leerlingenstages en andere vormen van arbeid in:
Voor leerlingen is het belangrijk dat de school grenzen durft trekken. Ze zijn vragende partij voor duidelijke regels en afspraken, maar willen ook dat die correct worden toegepast en dat je bij een overtreding ervan eerlijk en consequent reageert.
Soms is het nodig om een sanctie op te leggen. Aan die sanctie koppel je zorg en steun. Je blijft verbindend. Je keurt enkel het gedrag van de leerling af; nooit de persoon zelf. De leerling wordt niet afgeschreven door de fout die hij heeft gemaakt. De leerling blijft kansen krijgen. Ga naar het fundament Verbindend schoolklimaat als je daarover meer wilt weten.
Je legt ook nooit een sanctie op die de waardigheid van de leerling aantast (bijvoorbeeld een fluogeel vestje dragen bij het uitvoeren van een ‘werkstraf’, tenzij dat nodig is voor de veiligheid). Een straf mag niet onredelijk streng, discriminerend of vernederend zijn. Je zorgt ervoor dat een sanctie steeds in verhouding staat met de ernst van de feiten (= proportionaliteit) en dat je enkel een zwaardere straf oplegt als blijkt dat begeleiding of lichtere straffen niet hebben geholpen of zullen helpen (= subsidiariteit).
Als een leerling de leefregels van de school in die mate schendt dat zijn aanwezigheid een gevaar of ernstige belemmering vormt voor:
kan er een maatregel worden genomen die de leerling het recht ontneemt om, al dan niet tijdelijk, de vorming werkelijk en regelmatig te volgen (= een tuchtmaatregel).
Voor het basisonderwijs is van belang dat een tuchtmaatregel enkel toegepast kan worden op een leerling in het lager onderwijs. Kleuters kunnen niet tijdelijk of definitief uitgesloten worden.
Om een leerling tijdelijk of definitief uit te sluiten, volg je de tuchtprocedure die in het schoolreglement is uitgewerkt. Procedurele (en inhoudelijke) waarborgen zijn nodig om de rechten van verdediging van de leerling te garanderen. De ouders of de meerderjarige leerling zelf moeten schriftelijk ter kennis worden gebracht van de intentie tot een tuchtmaatregel. Ze krijgen inzage in het tuchtdossier en hebben het recht om gehoord te worden. Elke beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd en ter kennis gebracht. Bij het opleggen van een tuchtmaatregel houd je ook rekening met het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel.
Lees meer over het voeren van een tuchtprocedure op onze pagina Orde en tucht.