Het volgende voorbeeld maakt zichtbaar hoe de volledige route van leerplan naar klaspraktijk eruitziet. De leraar vertrekt vanuit de leerplandoelen, selecteert de begrippen en bouwt een kennisschema op. Vanuit die voorbereiding krijgen kennis, begrippen en taal vervolgens een plaats binnen de verschillende fasen van effectieve didactiek.
De leraar vertrekt vanuit de volgende leerplandoelen van de tweede kleuterklas:
Binnen deze leerinhoud komen leerplandoelen met kennen en kunnen samen.
Kennen
Kunnen
Bij kennen brengt de leraar in beeld welke begrippen leerlingen moeten begrijpen én actief gebruiken: de zoogdieren, geboren worden, groeien, de geboorte, het zogen, het jong en de volwassene. Bij kunnen maken de handelingswerkwoorden beschrijven en benoemen duidelijk wat leerlingen met hun kennis moeten kunnen doen.
De leerplandoelen samen maken zo zichtbaar welke begrippen leerlingen opbouwen en wat ze met die kennis moeten kunnen doen.
De leraar raadpleegt de begrippenlijst van Wetenschap en techniek. Voor deze leerinhoud staan in de tweede kleuterklas de zoogdieren, geboren worden, groeien, de geboorte, het zogen, het jong en de volwassene centraal.
Noodzakelijke voorkennis in beeld brengen
De begrippenlijst maakt ook zichtbaar waarop deze nieuwe begrippen voortbouwen. Bij de jongste kleuters kwamen binnen Organismen – Classificatie al de planten en de dieren aan bod. In de tweede kleuterklas wordt deze classificatie verder verfijnd met de zoogdieren, de vogels en de vissen.
De leraar kan daarom voortbouwen op het begrip de dieren en op concrete dieren die leerlingen uit hun omgeving kennen. De nieuwe kennis bouwt hierop voort: leerlingen leren dat sommige dieren tot de zoogdieren behoren en wat zoogdieren kenmerkt.
De begrippenlijst helpt de leraar zo om niet alleen de nieuwe begrippen te selecteren, maar ook relevante voorkennis in beeld te brengen.
Na de selectie van de begrippen brengt de leraar de samenhang tussen kennis, begrippen en taal in beeld.
De leraar verbindt de geselecteerde begrippen met het ruimere begrip de dieren uit de voorkennis. Zo worden de begrippen niet als losse woorden aangeboden, maar krijgen ze een plaats binnen de kennis die leerlingen opbouwen: een zoogdier is een dier, het jong wordt geboren, het jong zoogt bij de moeder en groeit van jong naar volwassene.
Ook de doelzinnen bevatten woorden en formuleringen die belangrijk zijn voor het kennisschema, zoals organismen, voortplantingswijze, veelvoorkomende organismen en omgeving. De handelingswerkwoorden beschrijven en benoemen maken duidelijk wat leerlingen met deze kennis moeten kunnen doen.
Deze woorden hebben niet dezelfde functie als de begrippen uit de begrippenlijst, maar leerlingen hebben ze wel nodig om de leerinhoud en de opdrachten te begrijpen.
Het overzicht school- en instructietaal kan dit verder aanvullen. Bij deze leerinhoud kunnen bijvoorbeeld sorteren, vergelijken, beschrijven, uitleggen, hetzelfde, verschillend, waarom en omdat relevant zijn.
Deze taal helpt leerlingen om dieren te vergelijken en te sorteren, kenmerken te verwoorden en uit te leggen waarom een dier wel of niet tot de zoogdieren behoort.
Het kennisschema maakt zichtbaar dat het begrip zoogdier verbonden is met het ruimere begrip dier. Om zoogdieren te kunnen classificeren en beschrijven, bouwen leerlingen kennis op over hun voortplantingswijze. Ze verbinden daarbij het jong, geboren worden, de geboorte, het zogen, groeien en de volwassene met elkaar.
De leraar kijkt ook naar de woordopbouw. Het woord zoogdier bestaat uit zoog en dier. De woordopbouw biedt hier houvast: een zoogdier is een dier waarvan het jong zoogt, met andere woorden melk drinkt bij de moeder. De leraar gebruikt deze woordopbouw als aanvullende taalsteun om de betekenis te verduidelijken.
Vanuit het kennisschema bereidt de leraar vragen en instructies voor waarin de begrippen en relaties terugkeren. Bijvoorbeeld:
In deze vragen en instructies komen de begrippen en taal uit de leerplandoelen samen met relevante school- en instructietaal, zoals vergelijken, sorteren, beschrijven, waarom en omdat.
Het kennisschema ondersteunt de leraar bij de voorbereiding. Het brengt de kennis, begrippen en taal die in de lessen aan bod komen vooraf in samenhang in beeld.
In de klas kan die kennis geleidelijk zichtbaar worden op een kennismuur. De kennismuur is dus geen kopie van het kennisschema. Ze groeit mee met wat leerlingen leren. De leraar voegt tijdens of na de activiteiten begrippen, afbeeldingen, voorbeelden en relaties toe die samen met de leerlingen zijn verkend. Zo maakt de kennismuur zichtbaar welke kennis en taal in de klas worden opgebouwd.
De kennismuur blijft beschikbaar tijdens volgende activiteiten. De leraar kan ernaar verwijzen en leerlingen kunnen ze gebruiken om kennis op te halen, begrippen met elkaar te verbinden en over de leerinhoud te communiceren.
Voorbeeld van een kennismuur die tijdens de activiteiten rond zoogdieren geleidelijk wordt opgebouwd. Afbeelding gegenereerd met ChatGPT.
Aan het begin maakt de leraar het doel expliciet en ondersteunt hij de centrale begrippen onmiddellijk met woord en beeld.
“Vandaag leren we wat een zoogdier is en waaraan je een zoogdier kunt herkennen. We bekijken ook hoe een jong zoogdier geboren wordt, zoogt en groeit tot een volwassen dier.”
De leraar laat leerlingen veelvoorkomende dieren uit hun omgeving benoemen. Hij gebruikt bijvoorbeeld afbeeldingen of dierenfiguren van een koe, kat, hond, paard, vogel, vis en kikker. Zo wordt tegelijk zichtbaar welke organismen leerlingen al kunnen benoemen en welke kennis ze al hebben over jonge en volwassen dieren.
“Welke dieren herken je? Hoe heten ze?”
“Heb je al eens een heel jong dier gezien?”
“Hoe noemen we het jong van een koe?”
“Blijft een kalf altijd even klein?”
“Wat gebeurt er als het kalf ouder wordt?”
Tijdens de instructie modelleert de leraar zijn denken aan de hand van een afbeelding van een koe en een kalf:
“Dit is het kalf. Het kalf is het jong en drinkt melk bij de moeder. Dat noemen we zogen. Daarom is de koe een zoogdier.”
Daarna richt hij de aandacht op de woordopbouw:
“Luister eens goed naar het woord zoogdier. Ik hoor twee delen: zoog en dier. Een zoogdier is een dier waarvan het jong zoogt. Zogen betekent dat het jong melk drinkt bij de moeder. Het woord zelf helpt ons dus om de betekenis te begrijpen en te onthouden.”
De leraar wijst daarbij afwisselend naar het kalf en de moederkoe, zodat woord, betekenis en beeld voortdurend met elkaar verbonden worden.
Vervolgens verbindt hij de begrippen rond groei en ontwikkeling met elkaar. Aan de hand van opeenvolgende beelden maakt hij zichtbaar:
“Het kalf wordt geboren. Dat is de geboorte. Het kalf is het jong. Het jong zoogt bij de moeder en groeit. Na verloop van tijd wordt het een volwassen koe. De koe is dan de volwassene.”
Met voorbeelden en tegenvoorbeelden verduidelijkt de leraar het begrip zoogdier. Hij benadrukt daarbij het centrale kenmerk: jonge zoogdieren dringen melk bij de moeder. De leraar vermijdt dat één oppervlakkig kenmerk, zoals vier poten of een vacht, als doorslaggevend kenmerk wordt gebruikt.
Leerlingen sorteren dierenkaarten in zoogdieren en geen zoogdieren. Ze benoemen de dieren en verwoorden waarom een dier wel of geen zoogdier is. De leraar ondersteunt hen om de begrippen uit het kennisschema en de gekozen school- en instructietaal actief te gebruiken.
“De kat is een zoogdier, want het kitten wordt geboren en drinkt melk bij de moeder.”
Daarnaast leggen leerlingen afbeeldingen van bijvoorbeeld een hond, paard of koe in volgorde van jong naar volwassen. Ze benoemen wat ze zien en gebruiken daarbij de begrippen geboren worden, de geboorte, het jong, zogen, groeien en de volwassene.
De leraar controleert tijdens en onmiddellijk na de instructie of leerlingen de begrippen begrijpen en met elkaar kunnen verbinden. Mogelijke vragen zijn:
De leraar geeft feedback op de inhoud én op het gebruik van de begrippen. Hij laat de leerling de verbeterde formulering opnieuw gebruiken, zodat zichtbaar wordt of de feedback begrepen is.
“Juist, je gebruikt het woord zogen correct. Kun je nu ook uitleggen wat dat betekent?”
“Je zegt dat het dier groter wordt. Inderdaad, het groeit. Kun je met het woord groeien opnieuw vertellen wat er gebeurt?”
In de dagen en weken daarna keren de begrippen bewust terug tijdens verhalen, gesprekken, leesactiviteiten en nieuwe lessen over dieren. Dezelfde begrippen worden toegepast op verschillende zoogdieren en, waar passend, op de mens. Zo wordt het kennisschema verder uitgebreid en verstevigd.
De leraar gaat na in hoeverre leerlingen de begrippen kunnen begrijpen en actief gebruiken en de samenhang ertussen kunnen verwoorden. Hij kijkt daarbij of leerlingen:
De evaluatie maakt zichtbaar welke begrippen en relaties leerlingen voldoende hebben opgebouwd en waar verdere herhaling of ondersteuning nodig is.
De geselecteerde leerplandoelen vormen de rode draad doorheen het voorbeeld. Ze bepalen welke kennis en begrippen worden opgebouwd en komen terug in de instructie, de inoefening, de controle van begrip, het gespreid oefenen en de evaluatie.

