Het leerplan vormt het vertrekpunt voor de lesvoorbereiding. In drie stappen brengt de leraar in beeld wat leerlingen moeten leren, welke begrippen daarbij centraal staan en welke voorkennis nodig is. Ook bepaalt de leraar welke woorden en formuleringen in het Nederlands belangrijk zijn om de leerinhoud te begrijpen, erover na te denken en te communiceren. Een kennisschema helpt om deze elementen tijdens de voorbereiding met elkaar te verbinden.
De begrippenlijsten ondersteunen deze voorbereiding. Ze maken zichtbaar welke begrippen leerlingen volgens de leerplandoelen expliciet moeten kennen en hoe het leerplan deze begrippen over de leerjaren opbouwt. Zo helpen ze de leraar om vanuit het leerplan doelgericht begrippen te selecteren en noodzakelijke voorkennis in beeld te brengen.
Het leerplandoel maakt duidelijk wat leerlingen moeten leren. Daarbij is het onderscheid tussen kennen, weten en kunnen belangrijk.
In het leerplandoel
Wat betekent dit?
Kennen
Leerlingen begrijpen de begrippen en kunnen ze actief gebruiken.
Weten
Leerlingen begrijpen de leerinhoud.
Kunnen
Leerlingen voeren uit wat het handelingswerkwoord aangeeft.
De leraar:
We bouwen dit voorbeeld in de volgende stappen verder uit.
Binnen de leerinhoud magnetisme komen leerplandoelen met kennen, weten en kunnen samen.
Bij kennen brengt de leraar in beeld welke begrippen leerlingen moeten begrijpen én actief gebruiken: magnetisme, polen, noordpool, zuidpool, magnetische kracht, aarde als magneet en magnetisch veld. Bij weten staat de kennis centraal dat de aarde een magnetisch veld heeft. Leerlingen moeten dus niet alleen het begrip magnetisch veld kennen, maar ook begrijpen wat ze over het magnetisch veld van de aarde moeten weten. Bij kunnen maakt het handelingswerkwoord aantonen duidelijk wat leerlingen met hun kennis moeten doen: ze gebruiken een magneet en een kompas om zichtbaar te maken dat een magneet op afstand een kracht uitoefent.
De drie leerplandoelen samen maken zo zichtbaar welke kennis leerlingen opbouwen, welke begrippen ze actief leren gebruiken en wat ze met die kennis moeten kunnen doen.
De leerplandoelen zijn gebaseerd op de minimumdoelen. Bij elk minimumdoel geldt niet dezelfde verwachting. Die verwachting verschilt naargelang het onderwijsniveau en, in sommige gevallen, de discipline, het domein of het subdomein.
Populatieniveau verwijst niet naar één klas- of schoolgroep, maar naar de leerlingenpopulatie waarop de minimumdoelen in Vlaanderen van toepassing zijn. Een verwachting op populatieniveau is dus geen te bereiken verwachting voor elke individuele leerling.
Deze verschillende verwachtingen gaan samen met hoge verwachtingen voor alle leerlingen. De leraar werkt doelgericht en systematisch aan de leerplandoelen, biedt alle leerlingen rijke leerkansen en ondersteunt hen om zoveel mogelijk te leren. Ook bij minimumdoelen die na te streven zijn op populatieniveau, is het onderwijs erop gericht leerlingen zo ver mogelijk te brengen in het verwerven van de vooropgestelde kennis en vaardigheden.
Voor kleuterleraren is dit onderscheid belangrijk bij het gebruik van de begrippenlijsten. De verwachting bij een begrip hangt samen met het leerplandoel waarin het begrip is opgenomen. De meeste minimumdoelen in het kleuteronderwijs zijn na te streven op populatieniveau. Voor woordenschat en luisterbegrip binnen Nederlands en getallenkennis binnen wiskunde geldt een andere verwachting: deze minimumdoelen zijn te bereiken op populatieniveau. Ook begrippen binnen getallenkennis kunnen dus deel uitmaken van minimumdoelen die te bereiken zijn op populatieniveau.
De leraar werkt vanuit hoge verwachtingen doelgericht aan al deze leerplandoelen en ondersteunt alle kleuters om de kennis en begrippen zoveel mogelijk te verwerven en te gebruiken. Tegelijk bepaalt de verwachting die bij het leerplandoel geldt hoe de beheersing ervan moet worden geïnterpreteerd. Het leerplandoel blijft daarom steeds het vertrekpunt bij het gebruik van de begrippenlijsten.
De begrippenlijsten bundelen per discipline de begrippen die leerlingen volgens de leerplandoelen met kennen moet begrijpen en actief gebruiken. Ze maken ook zichtbaar hoe het leerplan deze begrippen over de leerjaren opbouwt.
De leraar:
Het leerplandoel blijft daarbij het vertrekpunt. De leraar selecteert niet automatisch alle begrippen uit de lijst, maar brengt in beeld welke begrippen leerlingen nodig hebben om de gekozen leerinhoud te begrijpen en nieuwe kennis op te bouwen.
Noodzakelijke voorkennis in beeld brengen.
De geselecteerde leerplandoelen over magnetisme behoren tot het derde leerjaar. De begrippenlijst maakt zichtbaar dat leerlingen in eerdere leerjaren al begrippen rond magnetisme aangeboden kregen.
JK K2 K3 L1 L2 L3 Magnetisme
de magneet
magnetisch
aantrekken
afstoten
de noordpool
de zuidpool
de magnetische polen
het kompas
het magnetisme
de magnetische kracht
het magnetisch veld
In de begrippenlijst is bijvoorbeeld zichtbaar dat eerder al de magneet, magnetisch, aantrekken, afstoten, de noordpool, de zuidpool, de magnetische polen en het kompas aan bod kwamen. In het derde leerjaar komen daar onder andere het magnetisme, de magnetische kracht en het magnetisch veld bij.
De begrippen uit eerdere leerjaren kunnen deel uitmaken van de noodzakelijke voorkennis voor de nieuwe leerinhoud. De leraar kan deze voorkennis activeren en waar nodig opfrissen of verder versterken. Zo bouwt de nieuwe kennis voort op wat leerlingen eerder leerden.
De begrippenlijst helpt de leraar dus niet alleen om de begrippen van het gekozen leerjaar te selecteren, maar ook om relevante voorkennis uit eerdere leerjaren in beeld te brengen.
Na de selectie van de begrippen brengt de leraar de samenhang tussen kennis, begrippen en taal in beeld. Een kennisschema maakt zichtbaar welke kennis leerlingen opbouwen en hoe de begrippen binnen die kennis met elkaar samenhangen. Ook woorden en formuleringen in het Nederlands die leerlingen nodig hebben om de leerinhoud te begrijpen, erover na te denken en te communiceren, krijgen hierin een plaats.
Niet alle woorden in het kennisschema hebben dezelfde functie. De begrippenlijst geeft aan welke begrippen leerlingen volgens de leerplandoelen expliciet moeten kennen. Andere woorden en formuleringen ondersteunen het begrijpen, denken en communiceren over de leerinhoud.
Het kennisschema is in de eerste plaats een hulpmiddel voor de voorbereiding van de leraar. Delen ervan kunnen tijdens de les zichtbaar worden voor leerlingen, bijvoorbeeld in een schema, op het bord of op een kennismuur.
De leraar:
Het overzicht school- en instructietaal ondersteunt de leraar om woorden en formuleringen te selecteren die leerlingen nodig hebben om met de leerinhoud aan de slag te gaan. Het gaat bijvoorbeeld om taal om te vergelijken, ordenen, beschrijven, verklaren, redeneren of verbanden te leggen.
Het leerplandoel en de leerinhoud bepalen welke school- en instructietaal relevant is. Het overzicht helpt om deze taal tijdens de voorbereiding bewust in beeld te brengen.
Bij de voorbereiding rond klanken en letters vertrekt de leraar vanuit deze leerplandoelen:
De begrippen woorddeel, rijm, klank en letter staan voor de tweede kleuterklas in de begrippenlijst. De lijst maakt tegelijk de verdere opbouw zichtbaar. Zo komt later de uitspraak aan bod.
Ook de doelzinnen zelf bevatten woorden en formuleringen die belangrijk zijn voor het kennisschema, zoals herhalen, herkennen, tussen andere klanken, in woorden, uitspreken en bijhorende klank.
Het overzicht school- en instructietaal kan dit verder aanvullen. Bij deze leerinhoud kunnen bijvoorbeeld luisteren, aanwijzen, aanduiden, eerst en achteraan relevant zijn.
De leraar brengt deze woorden niet als een losse lijst samen, maar verbindt ze vanuit de leerinhoud. Zo wordt bijvoorbeeld zichtbaar dat je een klank hoort en uitspreekt, terwijl je een letter ziet en aanwijst. In een woord kunnen leerlingen klanken horen, bijvoorbeeld vooraan of achteraan, en bij een letter hoort een klank die ze kunnen uitspreken.
Bij klanken richt de leraar de aandacht op luisteren en horen; bij letters op kijken en zien. Bijvoorbeeld:
In deze vragen en instructies komen de begrippen en taal uit de leerplandoelen samen met relevante school- en instructietaal, zoals luisteren, aanwijzen, vooraan en achteraan.
Bij de voorbereiding rond magnetisme vertrekt de leraar vanuit deze leerplandoelen:
De begrippenlijst maakt zichtbaar welke begrippen uit deze leerplandoelen leerlingen expliciet moeten kennen. Ze toont ook welke begrippen uit eerdere leerjaren al aan bod kwamen. Zo kwamen de magneet en magnetisch al in de tweede kleuterklas aan bod, aantrekken en afstoten in de derde kleuterklas en de noordpool, de zuidpool, de magnetische polen en het kompas in het eerste leerjaar. Deze voorkennis kan de leraar opnieuw activeren en verbinden met de nieuwe begrippen het magnetisme, de magnetische kracht en het magnetisch veld.
Ook de doelzinnen zelf bevatten woorden en formuleringen die belangrijk zijn voor het kennisschema, zoals de magneet, het kompas, de aarde, een kracht uitoefenen, op afstand, de richting, de kompasnaald, veranderen en aantonen.
Het overzicht school- en instructietaal kan dit verder aanvullen. Bij deze leerinhoud kunnen bijvoorbeeld woorden en formuleringen als waarnemen, vergelijken, beschrijven, verklaren, hetzelfde, verschillend, omdat en als … dan … relevant zijn.
De leraar brengt de begrippen en andere belangrijke woorden uit de leerplandoelen samen met relevante voorkennis. Het kennisschema maakt zichtbaar hoe deze woorden inhoudelijk met elkaar samenhangen.
Zo wordt bijvoorbeeld zichtbaar dat de magneet polen heeft, dat die polen kunnen aantrekken of afstoten en dat een magneet een magnetische kracht op afstand uitoefent. Ook de relatie met het kompas en de aarde als magneet krijgt een plaats in het kennisschema.
De leraar gebruikt de begrippen en de school- en instructietaal bewust in vragen en instructies. Bijvoorbeeld:
In deze vragen en instructies komen de begrippen en taal uit de leerplandoelen samen met relevante school- en instructietaal, zoals waarnemen, vergelijken, beschrijven en verklaren.
Bij de voorbereiding rond het classificeren van ruimtefiguren vertrekt de leraar vanuit dit leerplandoel:
De leerling kan ruimtefiguren classificeren m.b.v. verzamelingen volgens toenemend of afnemend aantal eigenschappen en kan hierbij de woorden en, of en niet gebruiken.
De leraar bekijkt vanuit het leerplandoel welke begrippen leerlingen nodig hebben om ruimtefiguren te kunnen classificeren. Daarbij kijkt de leraar niet alleen naar de begrippen die in het zesde leerjaar nieuw zijn, maar ook naar begrippen uit eerdere leerjaren waarop het doel voortbouwt.
De begrippenlijst maakt die opbouw zichtbaar. Zo zijn de kubus, de balk, de bol, de piramide en de kegel al opgenomen vanaf K2. Later komen onder andere de ruimtefiguur, de cilinder, het oppervlak, het zijvlak, het grondvlak, de ribbe, het gebogen oppervlak, het veelvlak, (recht) prisma en omwentelingslichaam aan bod. Binnen logica en verzamelingen bouwen leerlingen onder meer verder op de verzameling, behoort (niet) tot, deelverzameling, de doorsnede en en, of, niet.
De leraar selecteert uit de begrippenlijst wat voor dit leerplandoel relevant is. De lijst is dus geen lijst van woorden die in één les allemaal expliciet moeten worden aangeleerd. Ze helpt om te bepalen welke begrippen tot het noodzakelijke kennisschema behoren en welke voorkennis mogelijk opnieuw moet worden geactiveerd.
Ook de doelzin bevat woorden en formuleringen die belangrijk zijn voor het kennisschema, zoals classificeren met behulp van verzamelingen, toenemend of afnemend aantal eigenschappen, en, of, niet gebruiken.
Het overzicht school- en instructietaal kan dit verder aanvullen. Bij deze leerinhoud zijn bijvoorbeeld woorden en formuleringen als sorteren, groeperen, vergelijken, ordenen, kenmerken, voldoen aan, niet voldoen aan, behoren tot en combineren relevant.
Deze taal is nauw verbonden met wat leerlingen bij het classificeren doen. Ze vergelijken eigenschappen, sorteren en groeperen ruimtefiguren en bepalen of een ruimtefiguur wel of niet voldoet aan een voorwaarde en dus wel of niet behoort tot een verzameling.
Ook en, of en niet uit het leerplandoel krijgen daarbij expliciet betekenis:
Vervolgens brengt de leraar de belangrijke woorden uit het leerplandoel, de noodzakelijke voorkennis en de relevante school- en instructietaal met elkaar in verband.
Vanuit dit kennisschema kan de leraar de taal bewust gebruiken in vragen en instructies:
In deze vragen en instructies komen de begrippen en taal uit het leerplandoel samen met relevante school- en instructietaal, zoals vergelijken, sorteren, behoren tot en voldoen aan.
Het kennisschema brengt kennis, begrippen en taal met elkaar in samenhang. In de klas bouwt de leraar hierop verder, onder meer in zijn vragen en instructies. In het volgende hoofdstuk staat centraal hoe dit een plaats krijgt binnen de verschillende fasen van effectieve didactiek.





