Leerlingen met een jonge ontwikkelingsleeftijd, zijn leerlingen met een discrepantie tussen hun kalenderleeftijd en hun communicatieve, cognitieve, emotionele, sociale en/of motorische leeftijd. Hun specifieke onderwijs- en ondersteuningsbehoeften situeren zich voor 1 of meerdere domeinen in de leeftijdsfase 0-2,5. (P-routedoelen)
We bedoelen hier niet de kleuters die gedurende het jaar instappen, noch de anderstalige nieuwkomers die hun eigen taal begrijpen en er zich in kunnen uitdrukken.
Communicatie is een proces waarbij een boodschap wordt uitgewisseld tussen een zender en een ontvanger. Om aan communicatie deel te nemen, moeten leerlingen geleidelijk ontdekken dat signalen, handelingen, woorden, gebaren, symbolen en andere communicatievormen betekenis dragen en een reactie kunnen uitlokken. Dit inzicht groeit vanuit concrete ervaringen, herhaalde interacties en voorspelbare routines. Wanneer leerlingen ervaren dat hun communicatie wordt opgemerkt, begrepen en beantwoord, ontwikkelen zij stap voor stap besef van communicatie en van de betekenis die taal kan overbrengen. Dat vormt de basis voor verdere taalontwikkeling, leren en participeren.
Taal helpt leerlingen niet alleen om de wereld te begrijpen, maar ook om er actief aan deel te nemen. Ze ondersteunt het ordenen van ervaringen, het opbouwen van kennis en het aangaan van interacties. Tegelijk biedt taal mogelijkheden om gedachten, gevoelens, behoeften en ervaringen uit te drukken en invloed uit te oefenen op de omgeving. Begrijpen, communiceren en handelen versterken elkaar voortdurend en vormen samen de motor van leren en participeren.
Voor leerlingen met een jonge ontwikkelingsleeftijd of complexe onderwijsbehoeften op het vlak van taalverwerving verloopt betekenisverlening vaak minder vanzelfsprekend. Expliciete aandacht voor conceptvorming is daarom essentieel. Concepten ontstaan niet door één woord of één ervaring, maar door herhaalde ervaringen waarin leerlingen voorwerpen, personen, handelingen of gebeurtenissen vanuit verschillende invalshoeken leren kennen. De leraar ondersteunt dit proces door ervaringen te verrijken, relevante kenmerken expliciet te maken, verbanden te leggen en deze te koppelen aan woorden, gebaren, symbolen of andere communicatievormen. Zo verdiepen en verbreden leerlingen geleidelijk hun concepten, wat een stevige basis vormt voor woordenschat, taalbegrip en verdere communicatie.
Zo krijgt een schommel voor een blinde leerling niet alleen betekenis door erop te zitten, maar ook door de schommel tactiel te verkennen, de beweging te ervaren, verschillende soorten schommels te ontdekken en deze ervaringen met elkaar te verbinden, taal te geven. Zonder expliciteren, blijft een schommel mogelijk niet meer dan een plankje met touwen die uit de hemel komen vallen, in plaats van een herkenbaar concept met duidelijke kenmerken.
Conceptvorming vraagt dus meer dan het aanbieden van een woord; ze vraagt het doelgericht opbouwen van betekenis vanuit rijke, gevarieerde ervaringen.
Binnen de P-routedoelenset van het leerplan worden alle communicatievormen beschouwd als volwaardige dragers van betekenis. Woordenschat kan worden opgebouwd via gesproken taal, gebaren, lichaamstaal, mimiek, blikrichting, voorwerpen, foto's, pictogrammen, tactiele symbolen, digitale communicatieve hulpmiddelen en andere vormen van ondersteunde communicatie.
Het doel van taalonderwijs blijft hetzelfde: leerlingen helpen om betekenis te geven aan hun ervaringen, te communiceren, te participeren en te leren.
Bij leerlingen met een jonge ontwikkelingsleeftijd of complexe communicatiebehoeften verloopt communicatie multimodaal. Dat betekent dat verschillende communicatievormen naast en door elkaar worden gebruikt om boodschappen te begrijpen, uit te drukken of te verduidelijken. Een leerling kan bijvoorbeeld kijken naar een voorwerp, ernaar wijzen, een pictogram aanduiden, een gebaar gebruiken of een geluid maken. De betekenis ontstaat niet uit één afzonderlijk signaal, maar uit het geheel van signalen binnen de context.
Ook de leraar communiceert multimodaal. Nieuwe woorden, begrippen en ervaringen worden beter begrepen en onthouden wanneer ze gelijktijdig via verschillende communicatievormen worden aangeboden. Leerlingen kunnen daarbij gebruikmaken van de communicatiekanalen die het best aansluiten bij hun mogelijkheden, voorkeuren en de context. De gekozen communicatievorm kan verschillen naargelang de situatie, de inhoud of het communicatieve doel.
Multimodale communicatie is geen tussenstap naar gesproken taal, maar een volwaardige manier van communiceren, leren en deelnemen aan de samenleving. De verschillende communicatievormen vullen elkaar aan, versterken elkaar en vergroten de toegankelijkheid van taal, begrippen en leerinhouden voor iedere leerling.
De P-routedoelen zijn opstapjes naar de G-routedoelen. Ze leggen de communicatieve fundamenten waarop de verdere ontwikkeling van het Nederlands steunt. Vanaf een ontwikkelingsleeftijd van ongeveer 2,5 jaar wordt deze leerlijn verdergezet binnen de andere domeinen en subdomeinen van het leerplan. Nederlands groeit uit tot de taal waarin leerlingen communiceren, leren en participeren. Waar nodig blijven multimodale communicatie en ondersteunde communicatie deze ontwikkeling ondersteunen, zodat alle leerlingen toegang hebben tot taal, interactie en leerinhouden.
Een belangrijke bouwsteen voor woordenschatontwikkeling is objectpermanentie: het besef dat personen, voorwerpen, activiteiten en gebeurtenissen blijven bestaan, ook wanneer ze niet onmiddellijk zichtbaar, hoorbaar of voelbaar zijn.
Zolang een leerling nog vooral leeft in het hier-en-nu, is betekenis sterk verbonden met wat op dat moment ervaren wordt. Naarmate objectpermanentie zich ontwikkelt, kunnen leerlingen personen, voorwerpen en gebeurtenissen mentaal vasthouden wanneer deze afwezig zijn. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om ervaringen te herkennen, te verwachten en ernaar te verwijzen.
Objectpermanentie vormt daarmee een belangrijke basis voor taal- en begripsontwikkeling. Een woord, gebaar, foto, pictogram of voorwerp van verwijzing kan immers pas betekenis dragen wanneer de leerling begrijpt dat het verwijst naar iets dat ook buiten het onmiddellijke ervaringsmoment bestaat.
Wanneer een leerling bijvoorbeeld begrijpt dat mama blijft bestaan wanneer zij de ruimte verlaat, kan een foto, gebaar of woord voor mama geleidelijk betekenis krijgen. Op dezelfde manier kunnen voorwerpen, activiteiten, plaatsen en personen steeds meer loskomen van het onmiddellijke hier-en-nu en onderwerp worden van communicatie, herinnering en verwachting.
Objectpermanentie ondersteunt zo de overgang van ervaren naar herkennen, verwachten, herinneren en uiteindelijk symbolisch verwijzen. Ze vormt daarmee een belangrijke voorwaarde voor begripsvorming, communicatie en woordenschatontwikkeling.
De leraar ondersteunt actief het proces van communicatie- en taalontwikkeling. Door een veilige en rijke communicatieomgeving te creëren, interacties bewust vorm te geven en ondersteuning af te stemmen op de mogelijkheden van de leerling, helpt de leraar leerlingen stap voor stap groeien in begrijpen, begrepen worden en taal gebruiken. Die ondersteuning krijgt vorm vanuit drie complementaire rollen: de leraar als mediator, als taalmodel en als initiator.
Als mediator stemt de leraar af op de communicatieve mogelijkheden, het ontwikkelingsniveau en de voorkeurscommunicatievorm van de leerling. De leraar vertrekt vanuit wat de leerling waarneemt, ervaart, begrijpt en probeert duidelijk te maken. Door aandachtig te observeren en signalen van de leerling te interpreteren, ontstaat ruimte voor betekenisvolle interacties.
Als taalmodel maakt de leraar zichtbaar hoe woorden, gebaren, symbolen en andere communicatievormen gebruikt kunnen worden om betekenis te geven aan ervaringen. De leraar verwoordt wat de leerling ervaart, ziet, doet of mogelijk bedoelt en koppelt taal voortdurend aan concrete situaties, handelingen en gebeurtenissen. Daarbij ligt de nadruk niet op het onmiddellijk correct produceren van taal, maar op het opbouwen van begrip en betekenis.
Als initiator zorgt de leraar voor betekenisvolle situaties waarin woordenschat herhaald kan terugkeren. Nieuwe woorden worden niet éénmalig aangeleerd, maar verschijnen herhaaldelijk binnen verschillende activiteiten, routines en interacties.
Een open, responsieve houding is essentieel. De leraar volgt de aandacht en interesses van de leerling, sluit aan bij initiatieven en creëert kansen tot interactie. Door bewust te vertragen, te wachten en ruimte te laten voor reacties krijgt de leerling de mogelijkheid om signalen te geven, initiatief te nemen en communicatie te ervaren als iets dat invloed heeft op de omgeving.
De leraar ondersteunt zo niet alleen de taalverwerving, maar ook de opbouw van communicatieve intenties, begrip en participatie. Door ervaringen te verrijken, kenmerken expliciet te maken, verbanden te leggen en betekenissen te herhalen helpt de leraar leerlingen groeien van ervaren naar begrijpen, interageren, communiceren en leren.
Om leraren en schoolteams te ondersteunen in het afgestemd opnemen van deze rollen en het uitwerken van de inhouden uit dit dossier voor de leerlingen met een jonge ontwikkelingsleeftijd, werd een bijlage toegevoegd met aandachtspunten en tips voor de leraar, het team en het beleid.
Beheersingsniveau van woordenschat bij een jonge ontwikkelingsleeftijd
Bij leerlingen met een jonge ontwikkelingsleeftijd ligt de focus van woordenschatontwikkeling niet op het exact definiëren of correct gebruiken van woorden, maar op het geleidelijk opbouwen van taal en betekenis.
In deze ontwikkelingsfase tonen leerlingen hun groeiende woordenschat op verschillende manieren. Ze herkennen woorden, gebaren, voorwerpen, foto's of pictogrammen in vertrouwde situaties. Ze reageren op bekende woorden of begrippen, anticiperen op gebeurtenissen en koppelen taal steeds meer aan personen, voorwerpen, activiteiten en ervaringen. Daarnaast beginnen leerlingen woorden, gebaren of andere symbolen zelf te gebruiken. Dat gebruik verloopt echter nog niet altijd consequent of volledig correct. Leerlingen kunnen woorden imiteren, herhalen of toepassen in situaties die niet volledig overeenkomen met de bedoelde betekenis. Zo kan een leerling bijvoorbeeld het woord hond gebruiken voor verschillende viervoeters, of een vertrouwd woord inzetten voor een ruimer geheel van ervaringen. Dergelijke over- of ondergeneralisaties maken ook deel uit van een normaal ontwikkelingsproces en geven vaak aan dat de leerling actief betekenis probeert op te bouwen.
Het begrijpen van woorden ontwikkelt zich doorgaans vroeger en sneller dan het zelfstandig gebruiken ervan. Leerlingen begrijpen vaak al veel meer woorden en begrippen dan zij zelf kunnen uitdrukken. Daarom is het belangrijk niet alleen te kijken naar wat leerlingen zeggen of tonen, maar ook naar hoe zij reageren, herkennen, anticiperen en deelnemen aan activiteiten.
Kernwoorden die in verschillende situaties bruikbaar zijn en participatie ondersteunen.
Thema
Voorbeelden
Behoeften, noden en comfort
help, meer, genoeg, stop, klaar, pijn, moe
Invloed uitoefenen
ja, nee, deze, die, liever, anders
Sociale interactie / Contact maken
hallo, dag, kijk, samen, mijn beurt, jouw beurt
Regels en afspraken - autonomie vergroten
stop, start, verder, wachten, kiezen/keuze, zelf doen
Voorbeelden
Instructiewoorden
kijk, luister, pak, geef, leg, zet, open, dicht, duw, trek, zoek, wijs aan, toon
Activiteiten
werken, spelen, lezen, eten, opruimen, wandelen, bewegen, beginnen, stoppen
Oriëntatie in de ruimte
hier, daar, binnen, buiten, boven, onder, naast
Oriëntatie in tijd
nu, eerst, dan, straks, opnieuw, wachten, klaar, gedaan
Ook voor deze leerlingen blijft het doel rijke taal toegankelijk te maken. Woordenschat en instructietaal worden zichtbaar, voelbaar, concreet, herhaalbaar en toegankelijk gemaakt via materialen, ervaringen, gebaren, pictogrammen, voorwerpen en ondersteunde communicatie.
Betekenisveld
Voorbeelden van eerste begrippen
Mensen en relaties
mama, papa, broer, zus, juf, meester, vriend, samen, helpen, beurt
Lichaam en zintuigen
hoofd, hand, voet, mond, ogen, oren, pijn, moe, warm, koud, zien, horen, voelen
Voorwerpen en eigenschappen
beker, bord, lepel, stoel, tafel, jas, bal, boek, groot, klein, hard, zacht
Handelingen en gebeurtenissen
eten, drinken, spelen, wassen, slapen, wandelen, open, dicht, aan, uit
Plaats en ruimte
hier, daar, in, uit, op, onder, naast, thuis, klas, speelplaats
Tijd en volgorde
nu, eerst, dan, straks, wachten, opnieuw, klaar, gedaan
Levende en niet-levende dingen
hond, kat, vogel, vis, bloem, boom, gras, zon, regen, wind
Hoeveelheid en vergelijking
meer, nog, op, groot, klein, dezelfde, andere
Vanuit deze woordenschat sluiten we aan bij de oplijsting van woordenschat binnen de G-routedoelen.
Als bijlage is een aanpasbaar document toegevoegd met de voorbeelden uit dit deel. Het overzicht vormt een vertrekpunt en kan door het schoolteam verder worden afgestemd op de eigen context. Zo kunnen scholen rekening houden met de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften en mogelijkheden van hun leerlingenpopulatie, de communicatievormen die worden aangeboden en de afspraken die binnen de school gelden rond communicatie en woordenschatontwikkeling.