Scholen krijgen geen specifieke middelen voor een taalexpert. De middelen gegenereerd uit preteaching, remediëring, taalheldklassen mag je hier niet voor inzetten
De taalexpert kan bijvoorbeeld een zorgcoördinator of een beleidsondersteuner zijn, maar het kan ook een lid van het onderwijzend personeel zijn. Een taalexpert kan ook worden aangesteld met het (reguliere) werkingsbudget waarover de school beschikt. De school heeft hierin de autonomie. Zo bepaalt elke school zelf het volume dat de taalexpert krijgt voor deze opdracht.
Dit kan bijvoorbeeld vorm krijgen door een leraar enkele lesuren vrij te roosteren voor deze taak of door bestaande omkaderingsuren anders in te zetten.
De taalexpert kan bijvoorbeeld een zorgcoördinator of een beleidsondersteuner zijn, maar het kan ook een lid van het onderwijzend personeel zijn. Een taalexpert kan ook worden aangesteld met het (reguliere) werkingsbudget waarover de school beschikt. De school heeft hierin de autonomie. Zo bepaalt elke school zelf het volume dat de taalexpert krijgt voor deze opdracht.
Dit kan bijvoorbeeld vorm krijgen door een leraar enkele lesuren vrij te roosteren voor deze taak of door bestaande omkaderingsuren anders in te zetten.
Ja, deze leerling mag aansluiten bij de taalheldklas. Gewezen Anderstalige nieuwkomers (GAN) genereren echter geen extra middelen of lestijden, tenzij ze voldoen aan de huidige criteria, zie actie 3 en 4.
Op dit moment zijn er geen extra middelen voorzien voor het vervoer van en naar een taalheldklas die buiten de eigen school georganiseerd wordt (bijvoorbeeld op niveau van de scholengemeenschap of netoverstijgend).
Concreet betekent dit dat scholen zelf moeten instaan voor het vervoer en de bijkomende kosten, indien ze ervoor kiezen om dit op deze manier te organiseren. Het budget hiervoor komt dan van de algemene werkingsmiddelen van de school.
De school waar de leerling ingeschreven is, blijft administratief verantwoordelijk bij een lesbijwoning in een andere school. Indien vervoer nodig is, ligt de organisatie daarvan bij deze school, in afstemming en samenwerking met de school waar de lesbijwoning plaatsvindt.
Concreet betekent dit dat scholen zelf moeten instaan voor het vervoer en de bijkomende kosten, indien ze ervoor kiezen om dit op deze manier te organiseren. Het budget hiervoor komt dan van de algemene werkingsmiddelen van de school.
De school waar de leerling ingeschreven is, blijft administratief verantwoordelijk bij een lesbijwoning in een andere school. Indien vervoer nodig is, ligt de organisatie daarvan bij deze school, in afstemming en samenwerking met de school waar de lesbijwoning plaatsvindt.
De invulling van de lessentabel is in de eerste graad decretaal vastgelegd (codex SO, art. 157/5 – 157/7). Uit die decretale bepaling volgt dat de lessentabel in de eerste graad uit minstens 32 lesuren bestaat. Zo schrijft de codex (ten minste) 27 lesuren basisvorming én (ten minste) 5 lesuren differentiatie voor zowel in 1A, als in 1B.
Binnen de lesuren differentiatie bepaalt de school zelf hoe die worden ingevuld op basis van de noden van de doelgroep van de school. Deze lesuren binnen de (minimum)lessentabel kunnen ingezet worden, bv. met remediëring voor leerlingen met talige achterstand.
De regelgeving rond de drie uur extra Nederlands bepaalt dat de extra opgelegde uren wekelijks bovenop de lessentabel komen (codex SO, art. 136/4). Voor de eerste graad betekent dat m.a.w. bovenop de lessentabel van minstens 32 lesuren, waardoor de drie uur extra Nederlands losstaan van de remediëring of taalondersteuning die al in de uren differentiatie aan bod kan komen.
Binnen de lesuren differentiatie bepaalt de school zelf hoe die worden ingevuld op basis van de noden van de doelgroep van de school. Deze lesuren binnen de (minimum)lessentabel kunnen ingezet worden, bv. met remediëring voor leerlingen met talige achterstand.
De regelgeving rond de drie uur extra Nederlands bepaalt dat de extra opgelegde uren wekelijks bovenop de lessentabel komen (codex SO, art. 136/4). Voor de eerste graad betekent dat m.a.w. bovenop de lessentabel van minstens 32 lesuren, waardoor de drie uur extra Nederlands losstaan van de remediëring of taalondersteuning die al in de uren differentiatie aan bod kan komen.
Leerlingen die in het basisonderwijs extra uren kregen opgelegd en leerlingen die in het secundair onderwijs door de klassenraad verplicht worden, kunnen samen les volgen. Leerlingen uit hogere jaren kunnen dus ook aansluiten bij een groep die net start in het secundair onderwijs. Uiteraard is het niet aangewezen om alle leerlingen hetzelfde programma te laten volgen. Differentiatie is dan ook een belangrijk uitgangspunt binnen deze lestijden.
De verplichte remediëring is bovendien niet beperkt tot één schooljaar. Een klassenraad kan ook in een volgend jaar beslissen dat een leerling extra uren Nederlands buiten het curriculum moet volgen. Deze beslissing wordt best zorgvuldig afgewogen, waarbij het advies van de vorige klassenraad wordt meegenomen.
De verplichte remediëring is bovendien niet beperkt tot één schooljaar. Een klassenraad kan ook in een volgend jaar beslissen dat een leerling extra uren Nederlands buiten het curriculum moet volgen. Deze beslissing wordt best zorgvuldig afgewogen, waarbij het advies van de vorige klassenraad wordt meegenomen.
De taalintegratietrajecten in de overgang kleuter – lager zullen nog blijven bestaan. Vanaf volgend schooljaar zal de klassenraad kleuteronderwijs beslissen of een leerling een taalintegratietraject zal moeten volgen.
De mogelijkheid om binnen het secundair onderwijs extra uren Nederlands buiten het reguliere lessenpakket op te leggen, is al langere tijd opgenomen en blijft van kracht. Deze beslissing kan een klassenraad van elk leerjaar in het secundair onderwijs nemen als de leerling van het gevolgde structuuronderdeel te weinig kennis van het Nederlands heeft. Een uitzondering op deze regel vormt het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers.
Leerlingen die instromen in het voltijds secundair onderwijs zijn nog steeds verplicht om een taalscreening Nederlands af te leggen. Een school kan zelf kiezen welk instrument ze hiervoor inzetten. Ben je op zoek naar inspiratie, dan vind je via deze site een actueel overzicht van de verschillende opties. Uiteraard kan je als school ook zelf screeningsinstrumenten ontwikkelen. Nog belangrijker dan de screening is de opvolging van de resultaten: zo ga je met de vastgestelde noden verder aan de slag in de vak(ken) en in het schoolbrede taalbeleid.
De middelen kunnen gebruikt worden voor alles wat je nodig hebt in je werking om het doel (voorinstructie/remediëring met focus op Nederlandse taalkennis nodig voor het behalen van de minimumdoelen) te bereiken. Dat betekent dat je ook didactisch materiaal en aankleding voor de klas waar de preteaching en remediëring mag plaatsvinden mag kopen als je motiveert dat dat nodig is om het doel te bereiken op de wijze en voor de leerlingen die deze regelgeving (m.b.t. Ieder kind taalheld) voorschrijft. De omzendbrief specifieert dat je deze middelen ook kan aanwenden voor personeel (statutair- en contractueel personeel) als je motiveert dat dat nodig is om het doel te bereiken op de wijze en voor de leerlingen die deze regelgeving (m.b.t. Ieder kind taalheld) voorschrijft. Deze werkingsbudgetten kunnen ook nog aangewend worden tijdens het schooljaar na het schooljaar van toewijzing. Deze middelen kunnen niet ingezet worden voor het vervoer naar de taalheldklassen in een andere school.
De conceptnota Ieder kind taalheld is enkel van toepassing op het gewoon onderwijs, m.u.v. het feit dat in het buitengewoon lager onderwijs de klassenraad die beslist over het toekennen van het getuigschrift basisonderwijs ook drie uur extra Nederlands kan opleggen aan leerlingen die instromen in het gewoon secundair onderwijs en de eindtermen Nederlands niet behaald hebben. Wens je meer advies hierover, dan verwijzen we graag naar het ondersteunende document dat bij actie 5 terug te vinden is.
Nee, de middelen gegenereerd voor GOK en middelen gegenereerd voor Ieder kind taalheld zijn complementair.