Redelijke aanpassingen voldoen aan de volgende kenmerken: het is individueel maatwerk dat in overleg is bepaald, ze zijn doelgericht, ze kunnen verschillende vormen aannemen, ze kunnen voor alle schoolse activiteiten worden genomen en ze worden gesitueerd in het zorgcontinuüm.
Hoe bepaal je of een leerling nood heeft aan aanpassingen? En hoe bepaal je welke aanpassingen nodig zijn om de leer- en/of participatiekansen van een leerling te verbeteren? De leraar heeft naar aanleiding van een concreet feit, al dan niet in de klas (een testresultaat, een incident met een leerling, een vraag van een ouder…) een gevoel van hier moet iets gebeuren. Om te weten wat er moet gebeuren ga je onderzoeken, in overleg, vertrek je van een brede beeldvorming. Je gaat aan de slag met actuele info over de leerling en zijn/haar context. Wie is deze leerling? Welke elementen hebben een invloed op het leren en participeren van deze leerling? Welke barrières ondervindt deze leerling om goed te kunnen leren of goed te kunnen functioneren op school? Hoe kunnen we deze barrières wegwerken door bepaalde aanpassingen te doen aan de instructie, de verwerking van de leerstof, de klas- of schoolomgeving, de ondersteuning van de leerling en andere elementen? Een aanpassing kan heel eenvoudig of klein zijn, bijvoorbeeld meer tijd bij proeven of examens. Een aanpassing kan ook bepaald worden in de cyclus van handelingsplanmatig werken die je doorloopt voor alle leerlingen die beschikken over een GC-, IAC- of OV4-verslag. Meer info over brede beeldvorming vind je bij de beginsituatiebepaling van handelingsplanmatig werken.
De aanpassing zelf vertrekt vanuit de individuele beleving van barrières, van de persoonlijke situatie van de leerling. Een redelijke aanpassing wordt uitgewerkt op maat van elke leerling en hangt af van de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerling, de specifieke context en het (leerplan)doel waar op ingezet wordt.
Essentieel is dat de redelijke aanpassingen worden uitgewerkt in overleg met de betrokken leerling, leerkracht(en), de ouders en eventueel CLB, leerondersteuner en andere betrokkenen (bijvoorbeeld een therapeut).
Een redelijke aanpassing vertrekt vanuit de sterktes van een leerling en houdt rekening met het toekomstperspectief op korte termijn en op lange termijn.
Redelijke aanpassingen zijn geen afvinklijstjes en worden niet standaard toegepast.
De focus ligt eerst op het ondersteunen vanuit het gemeenschappelijk curriculum. De aanpassing moet een duidelijk en pedagogisch doel hebben. Ze moet gericht zijn op het onderwijskundig functioneren van de leerling, en bijdragen tot het realiseren van leerplandoelen of het volwaardig deelnemen aan het schoolleven. De aanpassing zorgt ervoor dat evenwaardige participatie mogelijk wordt gemaakt en dat de leerling zo zelfstandig mogelijk kan participeren. Zonder doelgerichtheid riskeren aanpassingen inefficiënt, overbodig of zelfs contraproductief te zijn.
Een redelijke aanpassing kan verschillende vormen aannemen. Het kan gaan om een aanpassing in het aanbieden of evalueren van de leerstof, in het verwerken of inoefenen van leerstof, in het aanpassen van een leerdoel of het formuleren van een bijkomend leerdoel. Het kan gaan over wat de leerkracht doet in de klas, in een aanpassing van de klas- of schoolomgeving of in een aanpassing van de ondersteuning van de leerling.
Redelijke aanpassingen gelden voor alle schoolse activiteiten
Redelijke aanpassingen die genomen worden in de verhoogde zorg blijven behouden in de fase ‘uitbreiding van zorg’ of bij een IAC of OV4, als het nodig is om deze aanpassingen te blijven toepassen.
Redelijke aanpassingen in de verhoogde zorg, waar leerlingen soms tijdelijk nood aan hebben, kunnen inkantelen in de brede basiszorg, omdat ze alle leerlingen van de klas of van de school ten goede komen.