Begrippen evolueren in de tijd en weerspiegelen verschillende mensbeelden.
Handicap, beperking, ontwikkelingsstoornis, specifieke onderwijsbehoeften, ondersteuningsbehoeften… Allemaal begrippen die samenhangen met verschillende manieren om naar ‘handicap en beperking’ te kijken, verschillende modellen die doorheen de tijd ontstaan zijn én allemaal nog naast elkaar bestaan. Deze verschillende modellen gaan gepaard met een internationale beweging die zich weerspiegelt in Vlaamse regelgeving.
In dit model kijkt men alleen naar de persoon en naar wat er mis is. Iemand is gehandicapt doordat er iets mis is met zijn lichaam of geest. Handicap is een probleem dat door dokters moet “opgelost” of “gefikst” worden. Deze benadering kan nuttig zijn vanuit medisch oogpunt om symptomen te behandelen of te genezen, maar het risico is dat men zich alleen maar focust op de handicap of beperking en dat men de persoon zelf, zijn/haar persoonlijkheid en diens bredere behoeften als lid van een maatschappij niet ziet.
Het liefdadigheidsmodel beschouwt mensen met een handicap of beperking als hulpbehoevend en daarom niet in staat om dingen zelf te doen. Charitatieve instellingen of liefdadigheidsinstellingen bieden omwille daarvan ondersteuning. Boud gezegd: niet-gehandicapte mensen stellen een goede daad door gehandicapte mensen te helpen. Dit is tegengesteld aan de visie dat handicap/beperking een deel is van je identiteit. Dit model is geworteld in oudere maatschappelijke reacties op handicap/beperking toen liefdadigheidsinstellingen vaak als enige instantie ondersteuning boden aan personen met een handicap. De ondersteuning is gebaseerd op een visie waarbij de professionelen vanuit hun deskundigheid beslissen over wat nodig is voor de persoon met een handicap.
Het sociale model richt zich op barrières die mensen met een handicap verhinderen om deel te nemen aan de samenleving. Beperking of handicap is een wisselwerking tussen kenmerken van iemands lichaam en kenmerken van de samenleving. Mensen met een beperking zijn niet gehandicapt door hun beperkingen, maar door de maatschappij om hen heen. Het probleem is dat de maatschappij niet toegankelijk of inclusief is. Het sociale model stelt dat barrières moeten weggenomen worden en dat de maatschappij en ons onderwijssysteem toegankelijker en inclusiever moeten worden.
Om een typologie te bepalen voor een leerling die nood heeft aan een GC-, IAC- of OV4-verslag, omschrijft het CLB de onderwijsbehoeften van de leerling met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap.
De mensenrechtenbenadering is gebaseerd op het sociaal model van handicap, maar focust op de rechten van personen met een handicap. Het mensenrechtenmodel erkent de impact van beperkingen in het leven van mensen met een handicap en zegt dat er meer nodig is dan alleen het wegnemen van barrières. Handicap wordt erkend en gerespecteerd als een vorm diversiteit. Handicap-specifieke vooroordelen, houdingen en andere barrières worden gedefinieerd als obstakels voor de uitoefening van mensenrechten. De samenleving en de overheden hebben de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de politieke, wettelijke, sociale en fysieke omgeving hun rechten ondersteunt en de volledige inclusie en participatie van personen met een handicap garandeert.
In de huidige onderwijsregelgeving spreken we niet als dusdanig van leerlingen met een handicap, maar gebruiken we veel meer de term ‘leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften’. In het decreet basisonderwijs en de Codex secundair onderwijs wordt een leerling met specifieke onderwijsbehoeften als volgt gedefinieerd:
Leerling met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen:
Elke school voor gewoon onderwijs is verantwoordelijk voor het onderwijs aan alle leerlingen van de bedoelde leeftijdscategorie. Het decreet leerlingbegeleiding verwacht dat elke school een beleid rond leerlingenbegeleiding voert, met inbegrip van brede basiszorg en verhoogde zorg. Vanuit een inclusieve visie moet elke school door blijvende aandacht binnen het continuüm van zorg instaan voor kwaliteitsvol onderwijs voor alle leerlingen. Hiervoor werkt de school op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met interne en externe partners waaronder, leersteuncentra, pedagogische begeleiding, CLB, ouders, leerling... en doet ze, in het bijzonder voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, gepaste en redelijke aanpassingen naargelang de noden van de leerling.
Heel recent trekken we het begrip ‘specifieke onderwijsbehoeften’ open naar diverse noden van leerlingen. We kijken breed naar verschillende uitsluitingsmechanismen die ertoe kunnen leiden dat het leerrecht van leerlingen bedreigd wordt, zoals handicap/beperking, gender/geaardheid/geslacht, etnisch-culturele diversiteit, opleidingsniveau, armoede/sociale klasse en sociale mobiliteit, taal, religie, migratiestatus, leeftijd, ziekte, leerlingen zonder school of leerlingen die maar beperkte tijd welkom zijn op school ... Een school die diversiteit en inclusie omarmt, durft haar eigen manier van ‘school maken’ kritisch te bevragen. Zo werkt ze eraan om tot gelijke en optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen te komen en draagt ze bij aan het versterken van de onderwijsfierheid bij leraren. Meer lees je hierover in de dialoognota ‘Scholen voor iedereen: via pioniersnetwerken op weg naar inclusiever onderwijs’.