In de klas staan potjes met gevoelspictogrammen. Elke leerling heeft een stokje met zijn symbool of naam en zet dit in het potje, wat zijn gevoel voor dat moment weergeeft. In een gesprek reflecteer je over de gevoelens van de leerling.
In de klas staan vier potjes waarop vier gevoelens (blij, boos, bang, verdrietig) herkenbaar zijn. Elke leerling heeft een stokje met zijn naam of symbool dat hij in het potje zet dat overeenkomt met zijn gevoel. Je gaat in gesprek en reflecteert (individueel of klassikaal) met de leerlingen over gevoelens en behoeften. Je observeert hoe ze praten over de gevoelens:
Na een reflectiegesprek neemt de leraar actie waar nodig.