Op een strandbal staan allerlei vragen die gaan over het behandelde thema, moeilijke woorden of sommen. De leerlingen gooien de bal naar elkaar en beantwoorden de vragen. Ze helpen elkaar indien nodig.
Op een strandbal brengt de leraar verschillende stukken doorschijnend plastic aan door het stuk plastic met 3 randen vast te kleven. Achter het plastic past nu een kaartje.
Je gebruikt de strandbal als evaluatie-instrument. Op de kaartjes noteren jij of de leerlingen vragen, sommen, moeilijke woorden ... . De leerlingen staan in een kring en gooien de bal naar elkaar. Ze vangen de bal met hun beide handen.
De leerling die de bal vangt, leest de vraag, de som, het moeilijke woord ... op het kaartje waar zijn rechterduim het dichtst bij is. Hij beantwoordt de vraag.
Als de leerling het antwoord niet weet, geeft hij de bal aan de leerling links van hem en vraagt hem om te helpen.
De bal wordt naar een volgende leerling gegooid, enzovoort.