Evenwichtig onderwijsaanbod

Wat verwacht het decreet van scholen rond lestijden en onderwijsaanbod?

sla link op in klembord

Kopieer

Vanaf 1 september 2025 worden in het (gewoon en buitengewoon) kleuter- en lager onderwijs nieuwe minimumdoelen ingevoerd. Ze leggen veel sterkere klemtonen op Nederlands en wiskunde, die voortaan vanaf de kleuterklas te bereiken minimumdoelen bevatten.

De implementatie verloopt gefaseerd en vervangen geleidelijk de oude ontwikkelingsdoelen/eindtermen. De oude ontwikkelingsdoelen/eindtermen blijven geldig tot 31 augustus 2026 voor Nederlands, wiskunde en wetenschap en techniek en tot 31 augustus 2027 voor de overige leergebieden en de leergebiedoverschrijdende thema’s.

Voor het buitengewoon basisonderwijs geldt dezelfde implementatiekalender. De tabel met de fasering wordt daarbij gelezen vanuit het perspectief van het aantal schooljaren dat een leerling onderwijs volgt. De ankerpunten van de minimumdoelen (einde kleuteronderwijs, einde 4de leerjaar, einde basisonderwijs) zijn richtinggevend.


Schooljaar

Kleuteronderwijs + lager onderwijs
 1ste - 3de jaar

Lager onderwijs
 4de jaar

Lager onderwijs
 5de jaar

Lager onderwijs
 6de jaar

2025-2026

Oude eindtermen
 + vrijwillig nieuwe minimumdoelen als schooleigen doelen

2026-2027

Verplicht nieuwe minimumdoelen Nederlands, wiskunde en wetenschap en techniek
 + vrijwillig de overige nieuwe minimumdoelen

 Oude eindtermen
 + vrijwillig nieuwe minimumdoelen als schooleigen doelen

2027-2028

 Verplicht nieuwe minimumdoelen

 Verplicht nieuwe minimumdoelen Nederlands, wiskunde en wetenschap en techniek
 + vrijwillig de overige nieuwe minimumdoelen

 Oude eindtermen
 + vrijwillig nieuwe minimumdoelen als schooleigen doelen

2028-2029

 Verplicht nieuwe minimumdoelen

Verplicht nieuwe minimumdoelen Nederlands, wiskunde en wetenschap en techniek
 + vrijwillig de overige nieuwe minimumdoelen

2029-2030

 Verplicht nieuwe minimumdoelen

Verplicht nieuwe minimumdoelen Nederlands, wiskunde en wetenschap en techniek
 vrijwillig de overige nieuwe minimumdoelen

2030-2031

 Verplicht nieuwe minimumdoelen
 

Getuigschrift basisonderwijs en de nieuwe minimumdoelen

sla link op in klembord

Kopieer

De klassenraad beslist autonoom of een getuigschrift basisonderwijs toegekend kan worden. De klassenraad oordeelt hierbij of een leerling in voldoende mate de doelen uit het leerplan die het bereiken van de minimumdoelen beogen, heeft bereikt.

Voor het eerst worden voor het einde van het lager onderwijs op individueel niveau te bereiken minimumdoelen vastgelegd voor Nederlands en wiskunde. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om die minimumdoelen op individueel niveau te bereiken. Die doelen worden door elke leerling bereikt op het einde van het basisonderwijs met het oog op het verkrijgen van het getuigschrift basisonderwijs. De regelgever geeft de klassenraad wel de autonomie om te oordelen dat een leerling het getuigschrift basisonderwijs kan verkrijgen zonder dat de betrokken leerling elk minimumdoel op individueel niveau heeft bereikt. We zitten momenteel in een overgangsfase.

Tot en met het schooljaar 2027-2028 wordt het getuigschrift basisonderwijs nog op basis van de eindtermgerelateerde leerplandoelen toegekend aan leerlingen die volgens het normale leerproces (= ononderbroken onderwijsloopbaan) hun getuigschrift in de schooljaren 2026-2027 en 2027-2028 kunnen behalen. Voor leerlingen die volgens het normale leerproces het getuigschrift basisonderwijs normaal zouden behalen in de schooljaren 2028-2029 en 2029-2030 dient de klassenraad rekening te houden met de minimumdoelen die ontwikkeld zijn vanuit de vakdisciplines Nederlands, wiskunde, wetenschap en techniek.

Vanaf het schooljaar 2030-2031 zijn alle minimumdoelen verplicht ingevoerd en worden deze de referentie voor het uitreiken van het getuigschrift basisonderwijs.

Het kan natuurlijk zijn dat een leerling al eerder het getuigschrift basisonderwijs zal behalen. Vanaf het schooljaar 2028-2029 dien je bij de uitreiking van het getuigschrift basisonderwijs verplicht rekening te houden met de minimumdoelen Nederlands, wiskunde en wetenschap en techniek.

Gedoogperiodes: duidelijkheid van onderwijsinspectie

sla link op in klembord

Kopieer

De scholen krijgen tijd om de minimumdoelen stapsgewijs in te voeren én te bereiken en hiervoor een doordachte en kwaliteitsvolle implementatie op te zetten. Van scholen wordt verwacht dat ze vanaf schooljaar 2026-2027 aan de slag gaan met de nieuwe minimumdoelen met als doel het effectief bereiken ervan uiterlijk in schooljaar 2031-2032. Vanaf dan zal de onderwijsinspectie een ongunstig advies kunnen geven over het bereiken van de minimumdoelen.

In de periode tussen schooljaar 2026-2027 en 2031-2032 primeert de doordachte en stapsgewijze opbouw van de implementatie. De implementatietabel geeft hierbij helder richting aan de prioritaire vakken vanaf het kleuteronderwijs tot het einde van de lagere school. Van scholen wordt verwacht dat ze vanaf schooljaar 2026-2027 een heldere visie en aanpak voor de implementatie van de minimumdoelen hebben. Vanaf schooljaar 2027-2028 kan de inspectie de kwaliteit van de implementatie meenemen in de beoordeling. Focus moet liggen op het bereiken van de minimumdoelen, ten laatste in het schooljaar 2031-2032.

De verschillende fasen van de gedoogperiode laten zich als volgt verduidelijken in relatie tot de rol en opdrachten van de onderwijsinspectie: 

  • Schooljaren 2025-2026 en 2026-2027: onder implementatie wordt verstaan dat scholen een heldere visie en aanpak hebben voor de invoering van de nieuwe minimumdoelen, en dat er zichtbare sporen daarvan aanwezig zijn in de klas- en schoolpraktijk. Het niet of onvoldoende bereiken van de nieuwe minimumdoelen kan geen aanleiding geven tot een ongunstig advies.
  • In 2026-2027 zal de onderwijsinspectie enkel pedagogische doorlichtingen uitvoeren na een eerder ongunstig advies. In die gevallen kan het niet of onvoldoende implementeren van de doelen niet leiden tot een ongunstig advies door de onderwijsinspectie.
  • Na 2026-2027 kan het uitblijven van de implementatie wel aanleiding geven tot een ongunstig advies. Daarbij zal er ruimte zijn voor evolutie in tijd en kwaliteit.

Frans

sla link op in klembord

Kopieer

Binnen het kader van de onderwijsdoelstellingen basisonderwijs (OZB) kunnen scholen ruimte voorzien voor talensensibilisering en taalinitiatie, waarbij leerlingen op een laagdrempelige en verkennende manier kennismaken met andere talen en taaldiversiteit.

Frans is verplicht vanaf het vijfde leerjaar in scholen in Vlaanderen. De regelgeving schrijft geen vast aantal lestijden per week of per leerjaar voor en koppelt het Frans aan het bereiken van de minimumdoelen/eindtermen, niet aan een strak uurrooster. Scholen mogen hier zelf 4, 5 of 6 jaar over spreiden en hoeven niet gelijk verdeeld te zijn (bv. 2 u/week in het 5de en 3 u/week in het 6de mag).

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest mag al vanaf het eerste leerjaar met Frans gestart worden. Buiten Brussel mag men pas starten vanaf L3 op voorwaarde dat de leerlingen het Nederlands voldoende beheersen.

Levensbeschouwelijke vakken

sla link op in klembord

Kopieer

Binnen het katholiek onderwijs krijgt r.-k. godsdienst een herkenbare en doelgerichte plaats binnen de onderwijstijd, zowel in het kleuteronderwijs als in het lagere onderwijs.
 
De erkende instantie RKG bepaalt hoeveel lestijden rooms-katholieke godsdienst in het lager onderwijs worden voorzien; momenteel zijn dat er drie per week, waarbij de leerplandoelen r.-k. godsdienst centraal staan. Via coherenties kunnen we ook aandacht/ruimte geven aan inhouden RKG.
 
Leraren kunnen deze doelen expliciet aanbieden of bewust verbinden met andere disciplines, wanneer dit de leerdoelen versterkt.
 
In het kleuteronderwijs wordt r.-k. godsdienst geïntegreerd aangeboden binnen het dagelijkse pedagogische handelen, met een regelmatig, intentioneel en herkenbaar aanbod (3 activiteiten per week) dat afgestemd is op de ontwikkelingsfase van de kleuters.
 
Voor beide niveaus geldt dat de school de inzet van onderwijstijd voor r.-k. godsdienst kan verantwoorden vanuit leerplandoelen, gemaakte keuzes en klaspraktijk.

Lichamelijke opvoeding

sla link op in klembord

Kopieer

De Vlaamse regering voorziet een waarborgregeling voor lichamelijke opvoeding in het gewoon basisonderwijs. Deze regeling is vastgelegd in omzendbrief.
 
Die waarborgregeling voor het gewoon basisonderwijs wordt verduidelijkt in punt 3.1.4.5. van de omzendbrief ‘Personeelsformatie Scholen voor gewoon Basisonderwijs’: 

  • in het kleuteronderwijs minstens 7,7 % van de lestijden moeten aanwenden voor lichamelijke opvoeding;
  • in het lager onderwijs minstens 1,2 % van de lestijden volgens de formuleschalen bijkomend moeten inzetten voor lichamelijke opvoeding, bovenop de situatie van 2005 (doorgaans 2 lestijden per klasgroep).

Het aantal lestijden wordt afgerond volgens de in de omzendbrief vastgelegde regels. De bepaling van het referentiepunt uit 2005 en de concrete toepassing moeten worden onderhandeld in het bevoegde lokaal overlegcomité (LOC).

Die regeling is echter enkel van toepassing in het gewoon basisonderwijs en niet voor het buitengewoon basisonderwijs. Voor de aanwending van het lestijdenpakket in het buitengewoon basisonderwijs zijn geen percentages vastgelegd die zeggen hoeveel betrekkingen je in het ambt van onderwijzer ASV moet inrichten en hoeveel in het ambt van leermeester ASV-LO. Elk schoolteam selecteert de doelen die voor een leerling of leerlingengroep aansluiten bij de specifieke opvoedings- en onderwijsbehoeften. Die selectie vormt een belangrijke stap in de opmaak van een handelingsplan.

Wettelijk kader en beleidsruimte voor onderwijstijd

sla link op in klembord

Kopieer

In het Vlaams gewoon en buitengewoon basisonderwijs bestaat er geen decretale verdeling van lestijden per vakdiscipline of leergebied. De enige expliciete kwantitatieve verplichting is dat minstens 50 % van de totale onderwijstijd besteed wordt aan Nederlands en wiskunde samen, waarbij scholen vrij zijn om dit expliciet of geïntegreerd aan te bieden.

De decretale basis geldt dus formeel ook voor bubao maar de inspectie en regelgeving houden rekening met maatwerk.

Scholen kunnen dus gemotiveerd afwijken in functie van:

  • zorgnoden
  • ontwikkelingskansen
  • functionele doelen (bv. zelfredzaamheid, communicatie)

De meeste minimumdoelen in het (gewoon en buitengewoon) kleuteronderwijs zijn na te streven, met uitzondering van enkele doelen voor Nederlands (woordenschat en luistervaardigheden) en wiskunde (getalbegrip) die op populatieniveau bereikt moeten worden door een meerderheid van de leerlingen.

Vanaf het schooljaar 2026-2027 krijgt de klassenraad kleuteronderwijs een versterkte rol: op het einde van het kleuteronderwijs beslist deze, op basis van een totaalbeeld van de ontwikkeling, of een leerling in voldoende mate de vooropgestelde doelen bereikt heeft om de overstap naar het lager onderwijs te maken. Daarbij bepaalt de klassenraad ook of een taalintegratietraject aangewezen is bij de overgang naar het lager onderwijs.

Voor het lager onderwijs gelden andere accenten. Ook hier worden de meeste minimumdoelen beoordeeld op populatieniveau, maar voor Nederlands en wiskunde zijn er minimumdoelen die elke leerling individueel moet bereiken. De klassenraad van het zesde leerjaar beoordeelt of leerlingen deze doelen met vrucht hebben bereikt en neemt op basis daarvan beslissingen over de afronding van het basisonderwijs en de verdere schoolloopbaan.

De klassenraad beoordeelt of leerlingen de minimumdoelen voor Nederlands (woordenschat en luistervaardigheden) en wiskunde (getalbegrip) met vrucht beëindigen, op basis van een totaalbeeld van hun ontwikkeling. Deze beslissing is belangrijk binnen het bredere beleidskader van het decreet Ieder kind taalheld. Op het einde van de basisschool wordt op die basis ook beslist of leerlingen in aanmerking komen voor drie extra uren Nederlands bij de overgang naar het secundair onderwijs.
 
Daarnaast gelden specifieke wettelijke verplichtingen voor levensbeschouwelijke vakken en moeten scholen voldoende onderwijstijd voorzien voor LO en Frans om de minimumdoelen te realiseren, zonder dat daarvoor vaste lestijden zijn opgelegd.

Binnen Op.stap, leerroutes voor iedereen vertrekken we expliciet vanuit het perspectief dat afstemming op leerlingnoden niet betekent dat de lat lager wordt gelegd. Integendeel, onderwijstijd vormt net een hefboom om ook voor leerlingen met een individueel aangepast curriculum (IAC) ambitieuze, uitdagende en betekenisvolle doelen na te blijven streven, met aandacht voor zowel haalbaarheid als hoge verwachtingen.

In het (gewoon en buitengewoon) basisonderwijs vormen de minimumdoelen – en in het bijzonder de G-routedoelen – daarbij het vertrekpunt voor de opbouw van het IAC. De klassenraad vertrekt bij de selectie van doelen steeds vanuit deze doelen, kiest en concretiseert ze en vult ze aan in functie van de beginsituatie en de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften van de leerling. Dit proces verloopt cyclisch en handelingsplanmatig en biedt richtinggevend houvast en denkrichtingen, zonder voorschrijvend te zijn.

Meer info: vlaanderen.be

Differentiëren binnen gemeenschappelijke leerroutes

sla link op in klembord

Kopieer

Differentiëren binnen gemeenschappelijke leerroutes vertrekt vanuit de realiteit dat (graads)klassen of menggroepen heterogeen samengesteld zijn en leerlingen zich in verschillende fasen van leren bevinden. Binnen deze aanpak krijgen alle leerlingen in de basisgroep een kerninstructie die gericht is op de gemeenschappelijke doelen van het leerplan voor het leerjaar waarin zij zich bevinden (G-doelen). Deze doelen vormen de inhoudelijke kern van het leerplan: ze geven richting aan wat leerlingen samen leren en zorgen voor samenhang en kennisopbouw, zowel binnen een leerjaar als over de leerjaren heen. Binnen Op.stap betekent dit dat alle leerlingen toegang krijgen tot dezelfde essentiële leerinhouden, opgebouwd volgens doordachte leerlijnen.

Leerlingen die meer uitdaging nodig hebben, krijgen aanvullend een verdiepend aanbod dat gericht is op de plusdoelen, steeds binnen dezelfde discipline en graadcontext. Deze plusdoelen bouwen inhoudelijk verder op de gemeenschappelijke doelen (G-doelen) en zorgen voor verdieping en verbreding van kennis en inzicht, zonder vooruit te lopen op doelen van een volgende graad.
 
Verdieping krijgt vorm via complexere toepassingen, het leggen van verbanden tussen leerinhouden en een meer abstracte of analytische benadering van de leerstof. Dit aanbod situeert zich binnen het bredere doelenkader van Op.stap, leerroutes voor iedereen, waarin verschillende doeltypes onderscheiden worden — zoals G-doelen, S-doelen en plusdoelen — die samen richting geven aan een gedifferentieerd en ambitieus onderwijsaanbod. Scholen maken binnen dit kader beredeneerde keuzes in functie van de beginsituatie en onderwijsbehoeften van hun leerlingen, met aandacht voor zowel basisontwikkeling, versterking als verdieping.

Voor leerlingen die meer ondersteuning nodig hebben, zit de differentiatie niet in andere doelen, maar in een aangepaste aanpak. Dat kan gaan om extra instructie en herhaling, het vereenvoudigen van complexiteit in taal, context of hoeveelheid, en meer begeleide inoefening. Ook deze leerlingen blijven werken binnen dezelfde disciplines en inhoudslijnen en blijven zo deel uitmaken van het kennisrijke curriculum. Essentieel hierbij is flexibiliteit: er wordt niet gewerkt met vaste groepen, maar met wisselende instructiegroepen per discipline en per leerdoel.

×
Kijkt als...
Niveau
Regio
Kan ik je helpen?