Dialoogmodel

Als het waarom en hoe duidelijk zijn, kun je concreet aan de slag met de vragen en de uitdagingen die vanuit het verschil op je afkomen. Daartoe ga je in dialoog. Die is steeds open en verbindend. Hieronder verduidelijken wij hoe je dat kunt aanpakken.

Je kunt in de kwaliteitscirkel in principe overal instappen. Het meest voor de hand liggende startpunt is natuurlijk wanneer jou een vraag gesteld wordt of wanneer je met een probleem of conflict wordt geconfronteerd. Maar uiteraard kun je bijvoorbeeld even goed van start gaan wanneer je je bij de uitvoering van een plan toch bepaalde vragen stelt of wanneer je aan een leerling een antwoord geeft en dat op een onvoorspelbare reactie stuit.

Stel de vraag scherp

sla link op in klembord

Kopieer

Als leraar moet je voortdurend antwoorden op vragen, en oplossingen vinden voor problemen en conflicten. Vele daarvan wortelen in verschil. Je leerlingen en hun ouders, maar ook je collega’s, verwachten een snelle en effectieve respons.

Het is belangrijk om de vraag scherp te stellen:

  • kijk verder dan het gestelde gedrag;
  • ga op zoek naar de vraag achter de vraag.

Wat denkt mijn leerling of zijn/haar ouders? Wat zijn hun gevoelens daarbij? En ten slotte, welke fundamentele behoefte ligt er aan dat alles ten grondslag?

Laat de emoties niet overnemen, geef je (gezond) verstand een belangrijke plaats

sla link op in klembord

Kopieer

Uitdagingen in het algemeen en conflicten in het bijzonder zorgen vaak voor heel wat emotie. Door de centrale vraag in een ruimer kader te plaatsen zorg je ervoor dat het rationele denken niet ondergesneeuwd geraakt onder een berg emoties. Die emoties leiden er al te vaak toe dat misverstanden tussen leerlingen onderling of tussen leerlingen en leraren en opvoeders polariseren en escaleren. Een misverstand groeit zo uit tot een conflict.

Met je antwoord probeer je zo goed mogelijk tegemoet te komen aan de fundamentele behoefte van alle betrokkenen en ermee aan de slag te gaan.

Het is gemakkelijker om een misverstand uit de weg te ruimen dan een conflict te ontmijnen en te herstellen.

Ga in dialoog met alle betrokkenen

sla link op in klembord

Kopieer

Denk goed na over wie je rond de tafel wil uitnodigen. Als het een conflict betreft, ga dan na in welke fase van het conflict je je bevindt en hoe je dat best aanpakt.

De fasen in een conflict duiden op een eigen dynamiek. Elk conflict kent een voorbereidingsfase vooraleer het escaleert. Daarop volgt een onderhoudsfase: het duurt een tijd vooraleer de zaken kalmeren en de partijen tot toenadering geneigd zijn. Pas daarna kunnen zij erkennen wat hun rol in het conflict was en kunnen zij denken aan verzoening en herstel.

Voor de hand liggende betrokkenen zijn:

  • de leerling;
  • de ouders;
  • de leraren;
  • de directie;
  • het ondersteunend personeel;
  • het CLB.

Maar het kunnen ook vertegenwoordigers zijn vanuit de buurt, de politie en zo voort. Behandel alle betrokkenen als partners die elk vanuit hun eigen expertise en handelingsruimte verantwoordelijkheid moeten/kunnen opnemen. De leerling en zijn of haar ouders zijn natuurlijk je bevoorrechte partners. Beslis niet boven hun hoofden, maar neem hen volwaardig mee in het beslissingsproces.

Gebruik kaders om de vraag aan te toetsen

sla link op in klembord

Kopieer

De vragen die je gesteld worden, heb.en ofwel in het algemeen betrekking op het samenleven op school ofwel meer specifiek op het realiseren van leerplandoelstellingen. Je verkent de mogelijke antwoorden door de kaders af te toetsen waarmee je rekening kunt/moet houden:

  • de context waarin de vraag gesteld is, maar ook de context van de school, de klas in zijn/haar geheel;
  • het schoolreglement waarin ook een ordereglement opgenomen is;
  • juridische kaders, bijvoorbeeld het arbeidsreglement van kracht op de stageplaats, een zwembadreglement, decretale voorschriften op het vlak van inschrijvingen, redelijke aanpassingen, individuele trajecten en curricula;
  • veiligheidskaders, bijvoorbeeld veiligheidsvoorschriften bij het gebruik van het openbaar vervoer, het verbod op het dragen van bepaalde kledij tijdens praktijklessen;
  • curriculum en leerplandoelstellingen;
  • De resultaten van wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld bij het bepalen van een talenbeleid.

Maak een keuze: zorg voor kwaliteit, haalbaarheid en gedragenheid

sla link op in klembord

Kopieer

Het antwoord dat je formuleert leidt pas tot een duurzaam resultaat als het aan drie voorwaarden tegemoetkomt: kwaliteit, haalbaarheid en gedragenheid.

Je streeft eerst naar kwaliteit.

De kwaliteit wordt bepaald door:

  • de betrokkenheid van de partners rond de tafel;
  • de kaders waaraan je je antwoord getoetst hebt;
  • de aansluiting bij het pedagogisch project van je school;
  • de manier waarop je de wegwijzers (rechtvaardigheid, duurzaamheid, gastvrijheid, generositeit, inspiratie/traditie van de school, kwetsbaarheid en belofte, uniciteit in verbondenheid, verbeelding) hebt ingezet.

Je school bepaalt haar grenzen vanuit haar eigen identiteit. Die grenzen worden expliciet genoemd en telkens opnieuw toegelicht. Dat is van wezenlijk belang voor de aanvaarding ervan.

Ten slotte mag je niet vergeten dat referentiekaders nooit definitief zijn. Zij evolueren samen met de veranderende realiteit. Ook daar houd je best rekening mee.

Vervolgens streef je met je antwoord naar haalbaarheid.

Wanneer een antwoord wel kwalitatief sterk is, maar niet haalbaar, zorgt dat voor frustratie en boosheid. Haalbaarheid toets je vooral af aan de kaders waarmee je rekening moet houden.

Ten slotte is een goed antwoord ook een gedragen antwoord. 

Maximale gedragenheid bekom je door met alle betrokkenen in dialoog te gaan en goed te communiceren. Een onderhandeld kader is een belangrijke bevorderende factor voor het vinden van een gemeenschappelijke sokkel. Die sokkel is dan voor iedereen herkenbaar omdat hij gebaseerd is op duidelijk geëxpliciteerde waarden en normen die in voldoende mate gedeeld zijn en tegelijk de verschillen een herkenbare plaats geeft.

Stel duidelijke doelen

sla link op in klembord

Kopieer

Vooraleer je aan de slag gaat, maak je de doelstelling(en) duidelijk. Als dat door het hele team gebeurt, verhoogt dat de gedragenheid in grote mate. Probeer ook de doelstelling zo concreet mogelijk te formuleren: wat wil je precies bereiken?

Plan vooraf de verschillende stappen

sla link op in klembord

Kopieer

Vertaal je doelstelling in een plan. Welke stappen wil je zetten en wanneer en met wie? Het is niet wijs om zonder plan aan de slag te gaan. Vaak realiseer je je dan op een bepaald moment dat je alsnog planmatig aan de slag moet gaan.

Voer de acties uit

sla link op in klembord

Kopieer

Pas als je doelstelling omgezet is in een plan, kun je heel concreet aan de slag. Voer de actie(s) uit met respect voor de afspraken die in het plan opgenomen zijn. Als je je niet houdt aan eerder gemaakte afspraken, is dat ook een bron van frustratie voor alle andere betrokkenen.

Evalueer

sla link op in klembord

Kopieer

Evalueer ook tussen de uitvoering van het plan door of je met je acties je doelstelling hebt bereikt. Wat was goed? Wat waren succesfactoren? Wat kan beter? Wat zijn specifieke werkpunten?

Stel de vraag opnieuw scherp

sla link op in klembord

Kopieer

Stel de vraag opnieuw scherp.

Reflectievragen

  • Doorloop je samen met je team steeds op een systematische manier de dialoogcirkel?
  • Hoe stel je de vraag scherp? Wat neem je waar? Welk gedrag stelt de leerling? Welk gedrag stellen de ouders? Welk gedrag stellen de andere leerlingen?
  • Op welke manier ben jij als leraar betrokken? Welke gevoelens leven er? Verschillen de gevoelens bij elk van de actoren? Wat denkt de leerling? Wat denken de andere actoren? Wat is de behoefte van de leerling? Wat is de behoefte van de andere actoren? Wat is jouw behoefte als leraar?
  • Hoe organiseer je het gesprek met iedereen die betrokken is? Hoe kies je de partners die een positieve bijdrage kunnen leveren?
  • Hoe toets je de behoefte van alle partners (leerling, ouders, leerlingen, leraren …) af aan de kaders waarmee je rekening moet/kunt houden? Wat zegt je pedagogisch project? Wat zegt het leerplan? Wat zeggen andere kaders, reglementen en wetgeving over wat kan en wat niet kan?
  • Hoe ziet je oplossing/antwoord eruit? Op welke manier is je oplossing/antwoord kwaliteitsvol en haalbaar? Hoe bereik je dat het ook gedragen wordt door alle betrokkenen?
  • Hoe maak je voor alle betrokkenen (leerling, ouders, directie, leraren en leerlingen) de doelstelling duidelijk? Hoe verzorg je de communicatie naar alle betrokkenen? Hoe communiceer je het kader waarbinnen de oplossing tot stand is gekomen?
  • Welke planning moet je maken om ervoor te zorgen dat je oplossing/antwoord vlot en met respect voor de gemaakte afspraken verloopt? Hoe breng je alle betrokkenen op de hoogte? Hoe maak je duidelijk wat kan en wat niet kan?
  • Hoe kun je bij de uitvoering rekening blijven houden met en respect blijven opbrengen voor de afspraken die je maakte? Hoe blijf je in contact met alle betrokkenen?
  • Hoe evalueer je na afloop het hele proces? Wat leer je eruit? Wat waren succesfactoren? Wat zijn werkpunten? Als je moet bijstellen, hoe ga je daarbij dan te werk?

×
Kijkt als...
Niveau
Regio