Domeinoverschrijdend
Domeingebonden
Dubbele finaliteit
LPD 4 De leerlingen lichten de courante westerse periodisering en enkele bijhorende scharnierpunten toe, in het bijzonder voor de middeleeuwen en vroegmoderne tijd. LPD 4 De leerlingen lichten de courante westerse periodisering en enkele bijhorende scharnierpunten toe, in het bijzonder voor de middeleeuwen en vroegmoderne tijd. LPD 4 De leerlingen lichten de courante westerse periodisering en enkele bijhorende scharnierpunten toe, in het bijzonder voor de middeleeuwen en vroegmoderne tijd.
Het is onvermijdelijk dat je geschiedenis vanuit een bepaald perspectief bekijkt. In onze samenleving gebruiken we een bepaald systeem van periodisering en het is niet onlogisch dat leerlingen daarmee kennismaken. Andere doelstellingen laten leerlingen beseffen dat het om een perspectief gaat en dat er andere mogelijkheden zijn.
Het kennen van de westerse periodisering en enkele bijhorende scharnierpunten is de basis om dit te kunnen toelichten. De periodes zijn de prehistorie, oude nabije oosten, klassieke oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd en de hedendaagse tijd.
Merk op dat dit leerplandoel voor alle finaliteiten net hetzelfde is.
De namen van drie periodes zijn aangepast: de nieuwe tijd werd vroegmoderne tijd, de nieuwste tijd werd de moderne, de eigen tijd werd de hedendaagse tijd. Dat zijn de meest courante namen in de wetenschappelijke wereld en die van de populaire historische cultuur (bibliotheken, wikipedia, musea etc.). De nieuwe namen laten toe om het concept ‘modernisering’ te behandelen. Je kunt kiezen hoeveel en welke scharnierpunten je behandelt.
De eindtermen in het basisonderwijs schrijven nog steeds een andere periodisering voor die deels overlapt maar toch ook heel sterk verschilt: prehistorie/oudheid (tot ca. 500 n.C.), middeleeuwen (van ca. 500 n.C. tot ca. 1500), nieuwe tijden (van ca. 1500 tot ‘onze tijd’) en onze tijd (de tijd waarin het voor leerlingen nog mogelijk is om levende getuigen te ontmoeten. Dat nadeel kun je echter ombuigen tot een voordeel. Je kunt de leerlingen zelf de gelijkenissen en verschillen laten ontdekken en zo het perspectivisch karakter van periodiseringen illustreren.
De leerplancommissie heeft niet opgelegd hoeveel en welke scharnierpunten de leerlingen moeten kennen. Dat biedt jou en de vakgroep de nodige vrijheid om in te spelen op de specifieke context waarin jullie lesgeven. Je kunt dus één scharnierpunt per overgang zien of meerdere, kiezen voor ronde overgangsdata of specifieke data of scharnierpunten uit verschillende samenlevingen naast elkaar plaatsen etc.
De namen van de periodes zijn op zich vrij abstract. Het kan interessant zijn om na te denken over begrippen of beelden die de periodes meer aanschouwelijk maken. Die denkoefening kun je zeker samen met de leerlingen maken, dat kan zelfs een grote didactische meerwaarde hebben. Hoe jonger de leerlingen zijn, hoe groter de kans dat het wat stereotypische beelden zullen zijn, maar jij kunt als leraar die beelden nuanceren. Ook kun je de stereotypen doorbreken door beelden te voorzien van afwijkende fenomenen binnen en tussen samenlevingen in een historische periode. In Nederland wordt gewerkt met de ‘ridders en monniken’. Het gaat erom dat leerlingen karakteristieken, typische kenmerken per periode leren kennen.
Iets kennen veronderstelt een diepgaand leerproces met gespreide momenten van herhaling en toetsing. De periodisering komt dus best enkele keren doorheen het schooljaar aan bod.
Je kunt de namen van periodes afdrukken op kaartjes, die in een enveloppe steken en de leerlingen de tijdlijn zelf laten opbouwen.
Je kunt deze werkvorm uitbreiden doorheen de graad door kaartjes met scharnierpunten, jaartallen, afbeeldingen toe te voegen. Zo zie je meteen welke leerlingen met welke onderdelen problemen hebben. Je kunt dit systeem ook gebruiken om te differentiëren en sterkere leerlingen uit te dagen. Het laat je ook toe om doorheen de graad steeds meer informatie aan de periodes en scharnieren vast te haken. En waarom niet aan de leerlingen zelf vragen om kaartjes te maken die hun medeleerlingen dan moeten leggen? Dat zal zeker hun betrokkenheid verhogen.
Leerlingen kunnen een blanco “kleerkast” gebruiken. Belangrijke scharnierdata kunnen hierin een plaats krijgen naargelang ze aan bod komen.
Er bestaan digitale mogelijkheden om tijdlijnen te maken. Je vindt op deze website een overzicht ervan.
Je kunt in de klas werken met een ondergrond die toelaat om de tijdlijn stelselmatig op te bouwen, bijvoorbeeld op een prikbord, whiteboard of magneetverf. Leerlingen kunnen dan namen van periodes, data en afbeeldingen aanbrengen. Je kunt elementen weghalen voor een herhalings- of kort toetsmoment.
En waarom niet af en toe een ouderwets drilmoment waarbij de hele klas de periodisering luidop zegt?