Basisinzichten

Het belang van taalvaardigheid en communicatie

sla link op in klembord

Kopieer

Taalvaardigheid en communicatie zijn voor een kind noodzakelijk. Het communiceren met andere mensen behoort tot de eerste levensbehoeften van een mens en taal is een van de belangrijkste communicatiemiddelen. Communicatie en taal ontwikkelen zich in interactie met anderen en zijn voorwaarden voor het ontwikkelen van cognitieve en sociaal-emotionele competenties.

Een stoornis in de taalontwikkeling heeft altijd gevolgen voor:

  • de communicatie met andere mensen;
  • de intellectuele en cognitieve ontwikkeling;
  • de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Taal heeft een aantal functies:

  • het creëren van sociale verbondenheid;
  • het uiten en begrijpen van wensen, emoties, behoeftes en ideeën;
  • het sturen en ontwikkelen van het denken;
  • het verwerven van kennis als markering van een culturele identiteit.

Taalverwerving is het resultaat van:

  • het aangeboren taalvermogen;
  • de inzet en ontwikkeling van de neurocognitieve functies; het taalaanbod uit de omgeving.

Taalstoornissen worden onderverdeeld in primaire en secundaire taalstoornissen.

sla link op in klembord

Kopieer

Primaire taalstoornissen

sla link op in klembord

Kopieer

Bij een primaire taalstoornis is de vertraagde of afwijkende taalontwikkeling een op zichzelf staand probleem. De taalontwikkelingsproblemen kunnen niet verklaard worden vanuit problemen in andere ontwikkelingsdomeinen van het kind of de jongere: gehoorproblemen, cognitieve problemen, een zichtbaar hersenletsel, of visuele problemen, motorische problemen, sociale en/of emotionele problemen of onvoldoende en/of onaangepast taalaanbod. We maken een onderscheid tussen:

Een vertraagde spraak- en taalontwikkeling (VSTO)

sla link op in klembord

Kopieer

  • De taalontwikkeling verloopt vertraagd. De taalontwikkeling komt later op gang maar volgt wel de normale ontwikkeling.
  • Een jong kind heeft in zijn spraak en taal een duidelijke achterstand tegenover leeftijdgenootjes.
  • Dit komt bij 8 à 10 procent van de kinderen voor.
  • Logopedische therapie voor mondelinge taal heeft over het algemeen een goed effect bij deze kinderen, waardoor de taalachterstand verdwijnt.

Een spraak- en taalontwikkelingsstoornis (STOS) in het Engels ook wel Specific Language Impairment (SLI) – of ‘specifieke taalstoornis’ genoemd.

sla link op in klembord

Kopieer

STOS wordt in het Engels ook wel Specific Language Impairment (SLI) – of ‘specifieke taalstoornis’ genoemd.

  • Dit vormt een grote subgroep binnen de VSTO-groep.
  • STOS komt voor bij 6 à 7 procent van de totale populatie kinderen.
  • Behalve vertraagd, verloopt hun taalontwikkeling ook verstoord.
  • Het is een aangeboren (neurologische) stoornis.
  • Therapieresistentie: het is een hardnekkige stoornis, logopedische therapie voor de mondelinge taal heeft een minder groot effect, er blijven moeilijkheden bestaan.
  • De diagnose kan niet bij een aanvangsonderzoek gesteld worden en meestal ook niet vóór de leeftijd van 5 à 6 jaar.
  • Eén of meerdere aspecten van spraak-, taal- en communicatieontwikkeling is vertraagd en wijkt af van een normale ontwikkeling.
  • Het bestaat in vele gradaties en er zijn verschillende uitingsvormen: taalproductie en taalbegrip kunnen aangetast zijn.
  • Het verschil tussen VSTO en STOS is niet duidelijk gedefinieerd.

Ontwikkelingsdysfasie (OD).

sla link op in klembord

Kopieer

  • Dit vormt een subgroep binnen de STOS-groep.
  • Het komt voor bij 2 à 3 procent van de totale populatie kinderen.
  • Het is een hardnekkige stoornis: er zijn ernstige tekorten en dat blijft ook zo.
  • Er moeten indicaties van spraak- en taalproblemen zijn vanaf jonge leeftijd.
  • De diagnose kan niet bij een aanvangsonderzoek gesteld worden en meestal ook niet vóór de leeftijd van 5 à 6 jaar.
  • Therapieresistentie: na een jaar therapie is er nog steeds een significante taalachterstand in vergelijking met leeftijdsgenoten op één of meerdere taalcomponenten (fonologie, lexicon, semantiek, syntaxis, morfologie, pragmatiek).
     

Secundaire taalstoornis

sla link op in klembord

Kopieer

Bij een secundaire taalstoornis is de verstoorde taalontwikkeling het gevolg van een andere stoornis of een ander probleem, bijvoorbeeld:

  • pervasieve ontwikkelingsstoornis
  • verstandelijke handicap
  • gehoorproblemen
  • autisme
  • onvoldoende taalaanbod
  • niet-aangeboren hersenletsel
  • sociaal-emotionele problemen …


In al deze gevallen spreken we niet van een STOS of van ontwikkelingsdysfasie.

Diagnostiek

sla link op in klembord

Kopieer

Voor de diagnostiek is het Protocol Diagnostiek Ontwikkelingsdysfasie (PDOD) de leidraad (onlineversie 1.0 - oktober 2018 - © Sig vzw).

Bij een diagnostisch onderzoek wordt een taalstaalanalyse uitgeschreven. Die inventariseert verschillende stoorniskenmerken binnen de verschillende domeinen van de taalontwikkeling.

Hierbij zijn volgende vragen van belang:

  • In welke domeinen zijn er stoornissen ontdekt?
  • Hoe frequent komen die voor en hoe hardnekkig zijn ze?
  • Ligt het binnen de expressieve dimensie en/of binnen de receptieve dimensie?
  • Is er een combinatie van minstens drie kenmerken? Dit is vereist.

Exclusiecriteria voorafgaand aan het diagnostisch onderzoek:

  • Bij gehoor- en cognitieve problemen wordt de diagnose ontwikkelingsdysfasie niet gesteld. Er kan wel sprake zijn van een secundair taalontwikkelingsprobleem.
  • Er is geen duidelijk zichtbaar hersenletsel.
  • De taalontwikkelingsstoornis is niet te verklaren vanuit visusproblemen, motorische problemen, sociale en/of emotionele problemen, een beperkt taalaanbod of meertaligheid.

Voor de classificerende diagnostiek van een spraak- en taalontwikkelingsstoornis wordt steeds samengewerkt met een extern diagnostisch netwerk. Het CLB-team gaat na of er voldoende aanwijzingen zijn voor een samenwerking met een erkend multidisciplinair team (betrokkenheid van minstens een logopedist, audioloog en een NKO-arts), dat de uiteindelijke classificerende diagnose kan stellen.

Diensten die al deze disciplines ‘in huis’ hebben, zijn niet erg talrijk en dit zorgt in de praktijk voor problemen (gebrek aan aanbod + zeer lange wachtlijsten). Daarom worden een aantal afspraken gemaakt ter verduidelijking.

Onder ‘erkend gespecialiseerd team’ vallen de Centra Ambulante Revalidatie (CAR) en de Centra voor Ontwikkelingsstoornissen (COS), zelfs al is er geen NKO-arts of audioloog verbonden aan de dienst. Voor een diagnose die door een COS of een CAR gesteld werd, is geen bijkomend onderzoek door een NKO-arts of audioloog nodig. Diagnoses (vermoeden van) ontwikkelingsdysfasie die door andere multidisciplinaire teams zijn gesteld, kunnen enkel aanvaard worden als de vereiste disciplines betrokken waren.

Voor type 7 spraak-taal is het ‘apart verzamelen’ van informatie bij een logopedist, audioloog en NKO-arts niet voldoende om tot een kwaliteitsvolle diagnostiek van ontwikkelingsdysfasie te komen. Indien onafhankelijke actoren (logopedist, audioloog, NKO-arts, neuropsycholoog …) een diagnose stellen of elementen die kunnen leiden tot een diagnose aanleveren, voorzien we als overgangsmaatregel dat het CLB minstens twee actoren met elkaar in contact brengt om de aangeleverde elementen af te stemmen in functie van de diagnosestelling.

Bij kinderen jonger dan zes jaar wordt vaak de diagnose van ‘een vermoeden van ontwikkelingsdysfasie’ gesteld. Er dient dan een afspraak gemaakt te worden op welk moment dit vermoeden geëvalueerd wordt. Deze evaluatie moet, in overleg met het betrokken erkende team, binnen een redelijke termijn gebeuren zonder in rigiditeit te vervallen. Vanaf de leeftijd van zes jaar kan de effectieve diagnose van ontwikkelingsdysfasie gesteld worden.

Een groep leerlingen die in de diagnostiek van spraak- en taalontwikkelingsstoornissen bijzondere aandacht nodig heeft, zijn meertalige leerlingen. Het vaststellen van een taalprobleem bij meertalige leerlingen is meestal nog complexer dan bij eentalige leerlingen. De hoofdvraag is of er problemen zijn bij het verwerven van de Nederlandse taal of dat het effectief gaat om een vertraagde taalontwikkeling en/of taalontwikkelingsstoornis die zich zowel in het Nederlands als in zijn thuista(a)l(en) uit (zie exclusiecriteria). Een spraak- en taalontwikkelingsstoornis komt immers tot uiting in alle talen die het kind leert.

Comorbiditeit

sla link op in klembord

Kopieer

Bij kinderen met STOS is er een verhoogde kans op comorbiditeit met:

  • concentratiestoornissen zoals AD(H)D;
  • leerproblemen zoals dyslexie en dyscalculie;
  • lees-, schrijf-, en rekenstoornissen: die vinden hun oorsprong in tekorten in het taalvermogen van het kind, terwijl er sprake is van een normale intelligentie. Het kind heeft dan problemen met het omzetten van de gesproken taal in geschreven taal (spellen). Maar ook het omzetten van schrijftaal naar spraak (lezen) verloopt moeilijk;
  • ontwikkelingsstoornissen zoals autismespectrumstoornissen (ASS) en developmental coordination disorder (DCD).

Bij kinderen met STOS lijken er vaak kenmerken te zijn van autisme. Beide ontwikkelingsstoornissen zijn gekenmerkt door communicatiemoeilijkheden. Net daarom is het belangrijk om de exacte oorzaak te kennen van de moeilijkheden, om een gerichte aanpak aan te bieden.

Kenmerken STOS

sla link op in klembord

Kopieer

Spraak- en taalontwikkelingsstoornissen uiten zich op veel verschillende manieren. Er zijn veel verschillende verschijningsvormen, de moeilijkheden kunnen zich in meerdere of mindere mate voordoen op de verschillende domeinen van de taal. Elke persoon met een STOS heeft een uniek taalprofiel.

Taalbegrip en taalproductie

sla link op in klembord

Kopieer


De taalproblemen kunnen zowel in het taalbegrip als in de eigen taalproductie voorkomen. Het begrijpen van taal is even belangrijk als het zelf spreken om tot goede communicatie te komen. Er is immers een voortdurende wisselwerking tussen beide. Taalbegrip loopt voor op de taalproductie. Een persoon moet een bepaald woord eerst begrijpen, voordat hij het zal gebruiken.

Taalvorm

sla link op in klembord

Kopieer

Taalvorm: het vormen van taal door middel van klanken, woorden en zinnen.

  • Fonologie (klankleer): de klanken in de taal, de geluiden die in een bepaalde volgorde voorkomen en de vorm van woorden bepalen:
  • zwak fonologisch en fonemisch bewustzijn (klankbewustzijn);
  • zwak auditief kortetermijngeheugen;
  • fonologische articulatieproblemen, taal vereenvoudigen, moeite met spraakklankvorming, moeilijk verstaanbaar;
  • niet vloeiend spreken (dat niet het gevolg is van stotteren);
  • verspreken op klankniveau: fonologische parafasie (bijvoorbeeld wafel in plaats van tafel).

Morfologie (woordvorming, verbuigingen): het aanpassen van woorden in hun zinscontext:

  • woordvervoegingen zijn erg verstoord (werkwoorden, meervouden, verkleinwoorden, bijvoeglijke naamwoorden …);
  • verstoord gebruik van voornaamwoorden, verwijswoorden, lidwoorden …;
  • beperkt inzicht in spellingsregels;
  • beperkt inzicht in zinsontleding;
  • moeilijkheden met woordsoorten, woordontleding;
  • beperkt inzicht in en moeilijk verwerven van grammaticale regels.

Syntaxis (zinsbouw): de regels die de structuur van zinnen bepalen:

  • zinsbouw is ernstig verstoord;
  • langer gebruik van telegramstijlzinnen (geen grammatica en vervoegingen);
  • dysgrammatische en agrammatische zinnen;
  • zinnen zijn erg kort;
  • woorden worden weggelaten;
  • zinnen vertonen fouten tegen woordvolgorde;
  • fouten tegen vervoegingen en verbuigingen.

Taalinhoud

sla link op in klembord

Kopieer

Taalinhoud: de betekenis van de taal:

Lexicon (woordenschat): de opslag van woorden in het geheugen:

  • beperkte woordenschat (receptief en productief);
  • moeizame opbouw van woordenschat, moeite met het onthouden van nieuwe woorden;
  • woordvindingsproblemen (moeite om op een woord te komen);
  • veel moeite met functiewoorden.

Semantiek (betekenisleer): de betekenis koppelen aan het juiste woord:

  • problemen bij begrippen die meer dan één betekenis hebben;
  • problemen bij het begrijpen van figuurlijke taal;
  • moeilijk begrijpen van abstracte taal (onder andere tijdsbegrippen);
  • problemen met samengestelde woorden;
  • problemen met woordcategorieën, woordassociaties, woorddefinities, het omschrijven van woorden;
  • een ander woord zeggen dan je bedoelt: semantische parafasie (bijvoorbeeld appel in plaats van peer);
  • problemen met zaken buiten het hier en nu.

Taalgebruik

sla link op in klembord

Kopieer

Pragmatiek (communicatie): het gebruiken van taal om te communiceren, de regels voor het gebruik van taal in sociale situaties:

  • niet of onvoldoende begrijpen wat anderen zeggen;
  • problemen met verhaalopbouw en met samenhangend vertellen;
  • problemen met het begrijpen van de samenhang van een gesprek;
  • problemen met het begrijpen van figuurlijke/letterlijke taal;
  • hypospontaniteit (zo weinig mogelijk praten);
  • problemen met conversatie:

Problemen met conversatie:

  • het overbrengen van informatie;
  • moeite om een gesprek te starten;
  • moeite met beurtnemen en beurtwissel;
  • weinig wederkerigheid in een gesprek;
  • niet bij het onderwerp blijven;
  • moeite met het onder woorden brengen van gevoelens.
  • problemen met auditieve aandacht, verwerking, geheugen;
  • weinig oogcontact maken;
  • onvoldoende bewust zijn van de voorkennis van de gesprekspartner;
  • communicatieve vaardigheden moeten expliciet aangeleerd en ingeoefend worden (ze leren dit minder spontaan uit dagdagelijkse situaties).

Taaldenken

sla link op in klembord

Kopieer

Taaldenken (metalinguïstisch bewustzijn): het bewust nadenken over taal en over het eigen taalgebruik.

  • minder nadenken over eigen taalgebruik zorgt voor minder leerkansen;
  • voorschoolse vaardigheden zoals fonologisch en fonemisch bewustzijn zijn belangrijk voor het leren lezen en spellen;
  • beperkt auditief kortetermijngeheugen.

Innerlijke taal

sla link op in klembord

Kopieer

Innerlijke taal: het begeleiden van je handelingen met taal in je hoofd, de aandrijver van het denken.
Minder ontwikkelde innerlijke taal zorgt voor:

  • minder goed in het sturen van eigen gedrag en handelingen;
  • moeilijker plannen en organiseren;
  • meer chaotisch te werk gaan;
  • zichzelf minder goed kunnen geruststellen in stressvolle situaties;
  • moeite met oplossen van onverwachte problemen;
  • moeilijker schakelen tussen taken, stemmingen en situaties;
  • moeilijkheden met het reguleren van de eigen emoties;
  • weinig relativeringsvermogen;
  • start- en stopproblemen;
  • moeilijker automatiseren;
  • vergeetachtig zijn (info ontsnapt uit het werkgeheugen omdat er geen talige ondersteuning is).

Gevolgen van STOS

sla link op in klembord

Kopieer

Kinderen met een STOS presteren slechter in het onderwijs dan op basis van hun non-verbale intelligentie verwacht zou mogen worden. Bij 40 tot 60 procent van de kinderen met een STOS komen sociaal-emotionele problemen en/of gedragsproblemen voor.

Invloed van STOS op socio-emotionele ontwikkeling

sla link op in klembord

Kopieer

Contact

sla link op in klembord

Kopieer

Met taal maak je contact. Een moeder met haar kind, een puber met een goede vriend, een leerkracht met een nieuwe leerling. Contact maken kan met woorden, maar ook met lichaamstaal, natuurlijke gebaren en mimiek. Een kind dat over weinig taal beschikt of moeilijk verstaanbaar is, heeft meer moeite met het maken van contact.

Een verstoorde interactie tussen ouders en kind kan leiden tot gedragsproblemen bij het kind. Naarmate het taalbegrip slechter is:

  • vertonen kinderen in interactie met hun ouders minder positief en meer negatief gedrag;
  • worden ouders minder responsief en minder directief;
  • ervaren ouders het opvoeden van het kind als een zwaardere belasting.

In het contact met leeftijdsgenoten doen kinderen met STOS door hun taalachterstand veel minder ervaring op met de ongeschreven regels van sociale interactie. Doordat ze minder oefenen met luisteren, beurt wisselen, onderhandelen en het leren verstaan van wat andere kinderen bedoelen, zijn ze vaak sociaal onhandig.

Uitdrukken van intenties

sla link op in klembord

Kopieer

Taal is het voertuig van intenties: behoeften, wensen, emoties en gedachten worden ermee geuit en begrepen. Zowel goed begrijpen als goed uiten zijn belangrijk voor succesvolle communicatie.

Voor basale intenties, zoals het uiten van honger en pijn, is geen complexe taal nodig. Als een intentie complexer wordt, is er meer taal nodig. Dan moet een kind niet alleen kunnen aangeven dat hij of zij iets wil, maar ook wat, hoeveel en vaak ook waarom. Ook het sturen van handelingen van anderen vergt een grote taalvaardigheid.

Kinderen met STOS hebben minder taal tot hun beschikking voor het verwoorden van intenties en begrijpen minder van de uitleg die volwassenen geven over emoties en gedrag. Het betekent dat ze:

  • weinig met anderen praten over wat ze voelen, willen en denken;
  • emoties minder goed herkennen;
  • weinig meekrijgen over de intenties van anderen;
  • zich vaak niet begrepen voelen;
  • weinig begrijpen van het gedrag van anderen.

Als een kind emoties niet (tijdig) herkent, kan hij of zij de situaties waarin deze optreden niet veranderen en worden de emoties sterker en moeilijk hanteerbaar. Veel kinderen met STOS ‘exploderen’ op de momenten dat hun onbenoemde, niet-herkende emoties een uitweg zoeken.

Markering van (culturele) identiteit

sla link op in klembord

Kopieer

Gedurende hun leven ontwikkelen kinderen een identiteit, een idee over wie ze zijn en met wie en wat zij zich verbonden voelen. Ouders merken die ontwikkeling vooral als hun peuter de hele dag zegt (of gilt): ‘ik doen’ en ‘nee!’ en als hun puber zich van hen afkeert in toon, houding, voorkeuren en opvattingen.

Om hun identiteit te kunnen ontwikkelen, moeten kinderen onderscheid leren maken tussen zichzelf en de ander, en tussen hun eigen emoties, gedachten, wensen, vermogens en die van een ander. Taal is een belangrijke motor achter de identiteitsontwikkeling van kinderen. Het gaat dan om taal over wie ze zijn en wat ze voelen, kunnen, willen en doen, evenals taal over de wereld waarin zij leven en de mensen met wie zij dat doen.

Doordat het moeilijk(er) is te communiceren met kinderen met STOS, krijgen zij minder identiteitsgerelateerde taal aangereikt. Het leidt ertoe dat kinderen met STOS vaak weinig zicht hebben op zichzelf en op hun relaties met anderen. De identiteit van kinderen met STOS ontwikkelt zich hierdoor minder soepel en vanzelfsprekend dan die van andere kinderen. Daarbij hebben kinderen met STOS, net als andere kinderen met een beperking, vaak een negatief zelfbeeld dat wordt gevoed door de ervaring minder te kunnen en er minder bij te horen dan anderen.

Kinderen met STOS hebben dus meer communicatie, interactie en taal nodig om hun identiteit te kunnen ontwikkelen, maar krijgen er juist vaak minder van.
Door hun taal voelen mensen zich verbonden met de mensen uit hun eigen etnische groep of taalgroep, bijvoorbeeld het Fries, Berbers, Turks, Papiaments, Farsi of Nederlands.

Kinderen met STOS kunnen het gevoel hebben dat ze er in hun eigen gezin of familie niet helemaal bij horen omdat ze de taal van hun naasten onvoldoende beheersen om te kunnen deelnemen aan de gesprekken tijdens eten of bijvoorbeeld bij verjaardagen.

Invloed van STOS op leren

sla link op in klembord

Kopieer

Aandrijver van het denken

sla link op in klembord

Kopieer

Taal stuurt, ontwikkelt en organiseert het denken. Kinderen met STOS hebben minder taal tot hun beschikking die hen kan helpen bij:

  • het ordenen en rubriceren van informatie;
  • het stellen van vragen;
  • het ontdekken van samenhang;
  • het onderscheiden van oorzaak en gevolg;
  • het voorspellen van gedrag en gebeurtenissen.

Ouders van jonge kinderen begeleiden de dagelijkse activiteiten van het kinderleven met taal. Het is taal voor handelingen, gevoelens, opvattingen, verwachtingen, geboden en verbodenKinderen verinnerlijken de taal van hun ouders: eerst praten ze hardop om het eigen handelen te sturen (‘nu pak ik het groen potlood’), als ze ouder worden ‘praten’ ze in zichzelf (‘ik moet me haasten, want het is al laat’). Innerlijke taal is belangrijk voor het (leren) plannen van activiteiten, het aanleren van praktische vaardigheden en voor het reguleren van emoties en gedrag.

De innerlijke taal van kinderen met STOS is minder goed ontwikkeld. Dat leidt tot problemen met:

  • het schakelen tussen taken, stemmingen en situaties;
  • plannen;
  • het verzinnen van oplossingen;
  • het reguleren van eigen emoties;
  • het anticiperen op gebeurtenissen;
  • het sturen van gedrag.

De verbale strategieën die kinderen zonder STOS gebruiken om problemen op te lossen die ze in het dagelijks leven tegenkomen, zijn voor kinderen met STOS niet altijd bruikbaar. Zo gaan het vragen van hulp en onderhandelen hen minder goed af. Veel kinderen met STOS hebben de neiging moeilijke situaties te vermijden. Daardoor oefenen ze minder met het oplossen van problemen.

Dit wordt versterkt als ze weinig contact hebben met leeftijdsgenoten en als ze worden (over)beschermd door volwassenen.

Toegangspoort tot kennis

sla link op in klembord

Kopieer

Taal biedt toegang tot kennis over de wereld. Die kennis wordt overgedragen in beeld, gesproken taal of gebarentaal, maar vooral in geschreven taal: in boeken, tijdschriften, kranten en op internet. Het vermogen tot technisch en begrijpend lezen is een voorwaarde voor het verwerven van kennis.

Geschreven taal en schooltaal zijn complexer dan de informele spreektaal die thuis wordt gebruikt. Schools luisteren en lezen vereisen onder andere een goed werkgeheugen, een grote woordenschat en het vermogen om complexe grammaticale constructies te begrijpen.

Taalbegripsproblemen kunnen kinderen met STOS in het onderwijs ernstig parten spelen. Kinderen met STOS:

  • kunnen lessen minder goed volgen;
  • missen een deel van de betekenis en bedoeling van zowel mondelinge als schriftelijke informatie;
  • hebben problemen bij het mondeling en schriftelijk presenteren.

Om kennis te kunnen verwerven is taal nodig, maar het omgekeerde geldt ook: om taal te kunnen begrijpen is kennis van de wereld noodzakelijk. Met die kennis kan snel worden begrepen welke betekenis iemand bedoelt, ook als er meer betekenissen mogelijk zijn. De kennisachterstand die wordt opgelopen tegen de achtergrond van STOS wreekt zich dus ook nog eens extra op het gebied van taalbegrip.

Gedrag dat op school wordt aangeduid als onoplettendheid, luiheid of ongehoorzaamheid kan er bij kinderen met STOS op duiden dat het kind niet goed begrijpt wat hij of zij moet doen, afdwaalt omdat hij of zij niet volgt wat er wordt gezegd, bij andere kinderen afkijkt wat de bedoeling van een opdracht is en zijn of haar eigen gang gaat omdat het niet lukt samen met anderen op te trekken.

Internaliserend en externaliserend gedrag

sla link op in klembord

Kopieer

Deze kunnen zowel internaliserend als externaliserend voorkomen:

Internaliserend:

  • teruggetrokken en stil
  • lichamelijke klachten (buikpijn, hoofdpijn ...)
  • faalangst
  • onzekerheid
  • onvoldoende weerbaarheid
  • frustratie
  • onbegrip
  • negatief zelfbeeld
  • verhoogd risico op depressie

Externaliserend:

  • opstandig gedrag
  • opvliegendheid
  • boosheid
  • agressief gedrag
  • ongehoorzaamheid 
  • hyperactiviteit 
  • stoere houding
  • verzet
  • clownesk gedrag

Invloed op taalfuncties en sociaal-emotionele ontwikkeling (uit Hulpwaaier TOS. Tips en strategieën bij de hand. - Jet Isarin (Kentalis, uitgeverij Pica)

Contact

Hans Verpoest
pedagogisch begeleider
      02 507 07 02
      0473 57 07 72
      ×
      Kijkt als...
      Niveau
      Regio