Ten tweede haal ik graag kort nog enkele accenten uit de vragen- en antwoordenronde met de parlementsleden:- het door Steven Vanhooren aangekondigde raamwerk (cf. slides: 15-18) met mijlpalen uit de minimumdoelen (en cf. andere sectoren) tegen eind februari-begin maart vormde geen nieuw, extra kader, maar zou wel een antwoord bieden op de vragen over “hoe/wat werkt” van enkele parlementsleden;
- opmerkelijker vond ik het feit dat de opleiding tot taalexpert onder aegide van de commissie-Muijs (nwvr: die van de minimumdoelen, of toch nog een andere?) via een conclaaf in een Gents klooster nog moest worden uitgewerkt, terwijl meteen na de paasvakantie de eerste sessie geagendeerd was; ook opmerkelijk leek mij de onduidelijkheid op dit moment over via welke procedure gegadigden voor die opleiding konden instappen in die opleiding; de bijkomende middelen in dit verband voor de pedagogische begeleidingsdiensten (cf. Vlaamse regering, 23 januari 2026) waren op zich welkom, maar hoe daarvoor mensen aan te werven, wanneer detacheringen on hold gezet zijn?; de duidelijke opmerking van Kim Buyst helemaal aan het eind van de bespreking over de snelheid waarmee dit allemaal aangepakt zou moeten worden, kon ik dan ook beamen;
- over interessante uitspraken over meertaligheid en het “gebruik” van thuistalen in de klas: van de vier sprekers kwamen die uitspraken vanuit verschillende relevante invalshoeken, en daarom vond ik het verrijkend; Nederlands kon perfect de (rijke) instructietaal zijn, terwijl waardering voor andere talen van leerlingen als deel van hun identiteit en het verstandig gebruik ervan in de klas perfect konden samengaan met dat eerste;
- bij de klasgrootte in het kleuteronderwijs vond ik de kind/caregiver-ratio, in plaats van de leerling/leraar-ratio, een verrijkende invalshoek, die meteen ook verwees naar de zgn. onderwijsassistent en nog andere profielen op school, zoals vermoedelijk ook bedoeld zijn in de multidisciplinaire teams van de “Scholen voor iedereen”;
- Jordi Casteleyn sprak over de plek van taal die op onze scholen kleiner geworden was en verbond dat met (vroegere) handboeken biologie, wiskunde enz.; ook dat vond ik een verrijkende gedachte die ik hier nog nooit gehoord had, maar uiteraard kon mijn degenererend geheugen mij in de steek laten;
- het belang van interactie voor taalontwikkeling, een al veel ouder inzicht, kwam meerdere keren terug in de bespreking; Loes Vandromme opende ermee, in haar weliswaar terechte vraag over de Onderwijsinspectie, een niet ongevaarlijke piste, vond ik: de Onderwijsinspectie is decretaal niet bevoegd voor de controle op de pedagogisch-didactische aanpak van leraren en scholen, maar voor de genoemde interactie zette Vandromme de deur voor de Onderwijsinspectie ten minste op een kier…;
- en onmiddellijk daarbij aansluitend de intussen bekende bekommernis van Koen Daniëls over een (expliciete) woordenschatlijst en dito grammaticaonderwijs (nwvr: bij deze gelegenheid had hij zelfs beweerd dat leerlingen geen “gidswoorden” meer zouden leren in het vak Nederlands, maar alleen bij Latijn…): Jordi Casteleyns reactie was inderdaad terecht een en-enantwoord; met een eenvoudige rekensom over een basiswoordenschat Nederlands maakte hij duidelijk dat men wel vooral moest lezen om woorden te leren, maar dat bij kleuters een soort woordenlijst wel diensten kon bewijzen; ik voeg daar graag aan toe dat zgn. “betekenisonderhandeling” geenszins strijdig hoeft te zijn met occasioneel expliciet woordenschatonderwijs, afhankelijk van de concrete leersituatie en de concrete leerdoelstelling die op dat moment in de focus staat;
- de systematische vraag van Vlaams Belang, nu bij monde van Roosmarijn Beckers, naar een opvolgtest na de KOALA-test deed Jordi Casteleyn af als absurd; Thibaut Duthois stelde op zijn beurt dat de KOALA-test wel als een extra bron van informatie fungeerde die moest worden ingebed in de andere informatie van leraren over kleuters en waarmee aan de slag kon worden gegaan.