Ook dit leek zo’n maatregel waarin de theorie op gespannen voet kwam te staan met de praktijk in de scholen. Directeurs van secundaire scholen wisten op dit moment nog niet voor hoeveel leerlingen ze vanaf 1 september drie extra uren Nederlands moesten organiseren. Of lag dat toch nog anders? Minister?
De minister maakte een belangrijk onderscheid tussen twee zaken die volgens haar in het debat soms door elkaar werden gehaald: enerzijds de omkadering die scholen ontvingen, en anderzijds het aantal leerlingen dat effectief drie extra uren Nederlands zou moeten volgen. Die omkadering was al gekend (cf. een specifieke berekeningswijze op basis van het aantal leerlingen in het eerste leerjaar van de eerste graad die op de teldatum van 1 februari van het voorgaande schooljaar beantwoordden aan een van drie leerlingenkenmerken; dienstbrief begin april). Hoeveel leerlingen uiteindelijk binnen die drie extracurriculaire lesuren Nederlands zouden vallen, was inderdaad nog niet gekend, maar de minister gaf alvast een raming: het zou gaan om ongeveer 5,3 procent van de instromende leerlingen, zo’n kleine 3.800.
Het lerarentekort was ook hier relevant, dat klopte, maar een studie van professor Kristof De Witte ter zake werd ook meegenomen in het lerarenloopbaanoverleg. Welke studie precies de minister bedoelde was mij niet duidelijk: professor De Witte en zijn collega’s zijn de laatste jaren in dit verband wel vaker erg actief geweest (ging het om het onderzoek naar niet-ingevulde vervangingen (cf. scholen met veel SES-leerlingen) of was het toch het recentere attitudeonderzoek van december 2025?; een ander, Gents onderzoek over leraren in een grootstedelijke context vermeldde de minister alleszins niet).
Op de OVSG-vraag om volgend schooljaar als een overgangsjaar te beschouwen, wat de voorliggende taalmaatregel betrof, antwoordde de minister dat de Onderwijsinspectie bij doorlichtingen zeker rekening zou houden met het feit dat het een nieuwe maatregel was.
Meerdere parlementsleden waren nog geïnteresseerd in de regionale spreiding van de cijfers die de minister gegeven had. Dat was iets voor binnenkort. De niet zo eenvoudige tussenkomst van interveniënt Loes Vandromme over relevante omzendbrieven bewees wel dat dit hele taalverhaal budgettair nog niet zo duidelijk was (met ook verschuivingen inzake nascholingsmiddelen en de vraag uit welke potjes precies mocht geput worden voor de organisatie van de extra taallessen). Minister Demir erkende dat, zou de omzendbrieven nog laten bekijken en ging ook in op de suggestie van interveniënt Koen Daniëls om diverse praktijkvoorbeelden van hoe scholen die extra taallessen aanpakten te verzamelen, bv. in Klasse.
Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over de organisatie en financiering van de verplichte extra uren Nederlands in het eerste jaar secundair onderwijs vanaf 1 september 2026 van Gianna Werbrouck en over de organisatie van de extra lessen Nederlands in het secundair onderwijs van Kim Buyst” aan minister Zuhal Demir.
Reageren kan bij Wilfried Van Rompaey: wilfried.vanrompaey@katholiekonderwijs.vlaanderen