Brecht Warnez had hierover een vraag om uitleg ingediend op 17 februari 2026, waarna negen dagen later ook Mercina Claesen een soortgelijke vraag indiende, in een zelfs erg omvangrijke versie. De kern van de zaak was alleszins een kritisch Vlor-advies (op eigen initiatief) van 10 februari 2026, maar vragensteller Claesen haalde er zowat alle (toegegeven, relevante) aspecten bij, wat haar introspreektijd op ongeveer zeven minuten bracht. Commissievoorzitter Bart Claes gaf geen kik, maar op de banken vóór mij namen het geroezemoes en gemonkel niet onterecht toe. Maar goed, starttoetsen in het hoger onderwijs waren een punt uit het regeerkoord. Wat vond minister Demir van dat Vlor-advies en hoever stond het met die plannen in het regeerakkoord?
De meningen over starttoetsen waren verdeeld, aldus de minister, en zelf hoopte ze die via de verhoging van de onderwijskwaliteit in basis- en secundair onderwijs ooit overbodig te maken. Maar zover was het nog niet. De starttoetsen met verplichte remediëring werden pas ingevoerd vanaf het academiejaar 2023-2024. Voor de echte impact op de studievoortgang was het dus nog te vroeg. Maar dat ze zinvol waren, bleek al wel al uit de eerste analyses bij de start- en ijkingstoetsen voor de academische bacheloropleidingen. Er was ook al een duidelijke invloed op de studiekeuze bij deelnemers aan die toetsen. Bij de starttoetsen in de educatieve bacheloropleidingen was er ook een positieve correlatie tussen toetsresultaten en studievoortgang, maar daar was er nog maar weinig sturend effect op de studiekeuze.
Wat de toekomst betrof (lees: de verdere uitbreiding van starttoetsen), was er voor 2026-2027 al beslist. Voor 2027-2028 zou de minister de Vluhr raadplegen, ook voor eventuele starttoetsen buiten het STEM-domein (cf. lopende beheersovereenkomst met de Vlir). Met de Vlaamse Hogescholenraad (Vlhora) werden nog geen verdere concrete afspraken gemaakt rond uitbreiding. De minister zou wel met de Vlhora spreken over de vermelde starttoets van de lerarenopleidingen.
Voor het overige legde de minister nog eens haar visie op studiekeuze (cf. ook bestaande instrumenten, noodzakelijke informatie over startcompetenties, maatschappelijke perceptie van opleidingen) en studievoortgang (cf. ook plenaire vergadering van 28 januari 2026) uit, alsook de bestaande (financiële) regeling van de vermelde verplichte remediëring. Voor de impact van de modernisering secundair onderwijs op de studievoortgang in het hoger onderwijs was het nog te vroeg.
Met vragensteller Warnezs conclusie (“Het is dus heel belangrijk om zo veel mogelijk starttoetsen in zo veel mogelijk opleidingen te hebben.”; nadien zelfs “in alle opleidingen”) was ik het zelf nu niet meteen erg eens en vele hogescholen met mij, vermoedde ik. De universiteiten waren wel een ander verhaal en daar bewoog een en ander, ook buiten het STEM-domein, maar daar was dus de Vlir aan zet. Ook inzake de evaluatie van al bestaande ijkings/starttoetsen. Het resultaat van die evaluatie kon eventueel na afloop aan het Vlaams Parlement bezorgd worden, aldus minister Demir.
Het viel me op dat beide vragenstellers meer sturing door de minister verwachtten: vragensteller Warnez, wat de invoering van meer starttoetsen betrof, vragensteller Claesen, waar het ging om de maatschappelijke perceptie van opleidingen.
Reageren kan bij Wilfried Van Rompaey: wilfried.vanrompaey@katholiekonderwijs.vlaanderen