Artikel 2, §1, tweede lid, 1°, e) van de Welzijnswet Werknemers van 4 augustus 1996 bepaalt dat leerlingen en studenten die een studierichting volgen waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht, voor de toepassing van de welzijnswet worden gelijkgesteld met werknemers.
Deze bepaling beoogt leerlingen en studenten die in de onderwijsinstelling praktische (werk)oefeningen uitvoeren, bv. in het kader van praktijklessen voorzien in een opleidingsprogramma. Het betreft situaties waar leerlingen in het kader van hun opleiding ‘werken’ in analoge omstandigheden als in de arbeidswereld. Deze leerlingen en studenten worden dus niet in een operationeel bedrijfsproces ingeschakeld, maar verrichten tijdens deze oefeningen wel een vorm van arbeid die gelijkt op de werkzaamheden die ze in een professionele context onder het gezag van hun werkgever zouden kunnen verrichten.
Let op: leerlingen die in de opleidingsinstelling praktijklessen volgen die voor de toepassing van de welzijnswetgeving worden beschouwd als een vorm van arbeid, worden enkel tijdens deze praktijklessen gelijkgesteld met werknemers. Tijdens andere lessen die deel uitmaken van hun opleiding (zoals bijvoorbeeld de les lichamelijke opvoeding voor leerlingen houtbewerking) worden zij niet gelijkgesteld met werknemers, en is de welzijnswetgeving derhalve niet van toepassing.
Wanneer is er sprake van een ‘vorm van arbeid’ tijdens een praktijkles?
De welzijnswetgeving is in het bijzonder van toepassing op leerlingen en studenten die binnen de onderwijsinstelling activiteiten van praktische aard uitvoeren die met arbeid kunnen worden gelijkgesteld. Zij verrichten immers activiteiten die soortgelijk zijn aan de activiteiten die zij tijdens een stage in het beroepsmilieu zouden kunnen verrichten, alsook aan de activiteiten die zij na het behalen van hun diploma, onder het gezag van een werkgever zullen moeten verrichten. Onderstaande praktijkvoorbeelden maken duidelijk wanneer de activiteiten die aan bod komen in praktijklessen o.i. moeten worden beschouwd als een vorm van arbeid zoals bedoeld in de welzijnswet:
o Voorbeeld 1: Leerling wetenschappen-wiskunde die een labo chemie volgt;
o Voorbeeld 2: Leerling sportwetenschappen die een les lichamelijke opvoeding volgt;
o Voorbeeld 3: Leerlingen ASO die tijdens een themaweek (waar verschillende vakken samenkomen) een nestkastje bouwen met hout en eenvoudige handgereedschappen.
o Voorbeeld 1: Leerling houtbewerking tijdens de praktijkles hout;
o Voorbeeld 2: Leerling aan de tuinbouwschool tijdens een praktijkles verzorging van dieren;
o Voorbeeld 3: Student die de opleiding leerkracht lichamelijke opvoeding volgt tijdens de sportlessen;
o Voorbeeld 4: Student die een opleiding tot laborant volgt tijdens de praktijkles laboratoriumtechnieken.
Hoewel de welzijnswetgeving o.i. dus niet van toepassing is t.a.v. de eerste twee categorieën van leerlingen en studenten, is de opleidingsinstelling er uiteraard wel steeds toe gehouden om het algemeen zorgvuldigheidsbeginsel toe te passen, zeker tijdens practica of praktijkgerichte lessen. Wanneer leerlingen en studenten tijdens dergelijke lessen aan bepaalde risico’s (kunnen) worden blootgesteld, moet de opleidingsinstelling dan ook de nodige preventiemaatregelen nemen ter bescherming van deze leerlingen en de studenten (bv. het dragen van oogbescherming, handschoenen, e.d.m. tijdens een practicum chemie of biologie).
Mogen leerlingen die een ‘vorm van arbeid’ verrichten tijdens een praktijkles in de opleidingsinstelling, gevaarlijke arbeid verrichten?
Artikel X.3-2 van de Codex Welzijn op het Werk bevestigt dat ‘een leerling of student die een studierichting volgt waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht’ (punt d) wordt beschouwd als een jongere op het werk.
Bepaalde ‘gevaarlijke activiteiten’ mogen volgens de Codex niet door jongeren worden verricht, en worden derhalve beschouwd als ‘verboden arbeid’ voor jongeren: het gaat hier overeenkomstig artikel X.3-8 van de Codex om:
Bijlage X.3-1 bij de Codex verduidelijkt over welke werkzaamheden en plaatsen het in elk geval gaat (=niet-limitatieve lijst; daarnaast kunnen er nog andere situaties zijn als zij aan bovenvermelde omschrijving voldoen): het gaat daarbij onder meer ook over het besturen van graafwerktuigen (B.5) en hefwerktuigen (B.7), arbeid met gevaarlijke machines (B.16), enz.
Op dit verbod bestaan echter een aantal uitzonderingen. Zo mogen jongeren tijdens hun opleidingsprogramma in een onderwijsinstelling wel een gevaarlijke machine of werktuig (leren) gebruiken of besturen, of andere gevaarlijke activiteiten verrichten, als de voorwaarden bepaald in artikel X.3-10, §2, van de Codex vervuld zijn:
Bijvoorbeeld:
Onderstaand vind je belangrijke wetgeving, - richtlijnen en – normen indien van toepassing.
Codex - Boek X - Titel 3 - Jongeren op het werk
Toelichting over titel 3 betreffende jongeren op het werk van boek X van de codex over het welzijn op het werk
Andere interessante websites rond dit thema: