22 januari 2026 – Verslag van het Rekenhof over schakelprogramma's in het hoger onderwijs: een samenvattend commentaar

Voor een goed begrip, dit was een verslag van het Rekenhof van mei 2025, dat weliswaar ging over de situatie in het academiejaar 2023-2024, maar dus geen verslag van 2023, zoals een slechte verstaander op grond van bepaalde uitspraken tijdens de bespreking verkeerd zou kunnen denken.

De sprekers waren: Willem Cabooter (eerste-auditeur-revisor Rekenhof), Annelies Baeck (auditeur Rekenhof), Zuhal Demir (Vlaams minister van Onderwijs, Justitie en Werk), Ilse De Bourdeaudhuij (voorzitter VLIR-werkgroep Onderwijs) en Marleen Bronders (beleidsmedewerker Onderwijs VLIR).

Naast de rijkdom aan informatie in de twee vermelde powerpointpresentaties kan de lezer (met wat minder tijd) handig gebruikmaken van de samenvatting (p.5-7), de algemene conclusies (p.55-56), maar vooral het mooie overzicht van de aanbevelingen (p.57) in het verslag van het Rekenhof. Algemeen gesproken, was er bij de verschillende sprekers heel wat consensus over een aantal zaken, maar professor De Bourdeaudhuij voegde toch wel enkele duidelijke en interessante nuances toe (cf. infra). Uiteindelijk ging het over vaststellingen over schakelprogramma’s in het academiejaar 2023-2024 en intussen was er toch al wel een ander gebeurd.

Politiek gesproken, was het interessant om te zien dat het thema, waarover minister Demir zich zeker positief uitliet, nu inderdaad opnieuw op de tafel beland was, terwijl haar voorganger minister Ben Weyts daar wat minder happig op was geweest.

Uit de vragen- en antwoordenronde kort graag nog dit:

  • er waren vragen over het gebruik van een zgn. “bekwaamheidsexamen”, eventueel van “starttoetsen”, en van de bestaande EVC-procedure in het kader van schakelprogramma’s: het eerste bleek heel specifiek te gaan over de instap van PBA’ers in de academische opleiding Industriële wetenschappen (industrieel ingenieur) naar aanleiding van een daar vastgestelde slechte doorstroming; die analyse door alle betrokken instellingen samen leidde toen tot dat bekwaamheidsexamen, maar dat was om de omvang te bepalen van de verkorte bacheloropleiding Industriële wetenschappen voor de instappende PBA’ers (korter of langer, naargelang van het resultaat op het bekwaamheidsexamen); het tweede (starttoetsen voor een schakeljaar) vond professor De Bourdeaudhuij weinig zinvol want dat ging inderdaad toch om een heel andere situatie dan wat wel terecht georganiseerd kon worden als starttoets voorafgaand aan een 1 ABA; het derde punt (EVC-procedure) bestond inderdaad op associatieniveau en kon dus perfect, zij het dat het voor schakelprogramma’s zeker niet vaak gebruikt werd;
  • voor allerlei samenwerking en doorstroming van informatie in dit verband beoordeelde professor De Bourdeaudhuij de VLUHR (waar universiteiten en hogescholen samenzitten) als een te hoog “niveau”; de gevraagde afstemming tussen PBA-programma’s en schakelprogramma’s moest veel specifieker gebeuren en daarvoor waren de associaties een geschikte plaats; algemene principes konden wel op VLUHR-niveau afgesproken worden;
  • de professor zei weinig te merken van vermeend strategisch gedrag bij de organisatie van schakeljaren; ook Annelies Baeck zei dat de onderbouwing van schakelprogramma’s vooral inhoudelijk gebeurde, maar ze voegde ook de interessante kwestie toe van de keuze tussen schakeljaren en verkorte bacheloropleidingen als opstap naar masteropleidingen (en soms bestonden die twee trajecten naast elkaar, met het oog op verschillende doelpublieken);
  • het studierendement van 66% (ongeveer gelijk aan dat bij BA-opleidingen) vond de professor niet onlogisch; dat zei vooral iets over de verschillen tussen PBA en een academisch schakeljaar en de zwaarte van dat laatste; deelnemers aan schakeljaren moesten zich dus goed bewust zijn van de betekenis van de studiepunten in kwestie; de vaststelling van de zwaarte voor sommige PBA’ers mocht niet opgelost worden door dan maar de lat minder hoog te leggen; er was wel vooral nood aan heel goede communicatie daarover naar de deelnemers vooraf;
  • de nood aan een centraal overzicht van schakelprogramma’s kreeg de nodige aandacht in de bespreking: maar dan zouden daarin het best ook andere alternatieve trajecten (bv. ook microcredentials, …) opgenomen worden; er werd verwezen naar de Onderwijskiezer en de Databank Hoger Onderwijs (DHO), wat minister Demir, als faciliterende overheid t.a.v. de autonomie van de instellingen, allemaal wel wilde bekijken, maar het zou, gelet op de frequente veranderingen ter zake, wel een huzarenstukje zijn; al die informatie moest ook van de onderwijsinstellingen komen en de minister waarschuwde voor mogelijke verwarring door al zulke informatiestromen; idem ook voor de registratie van kansengroepen in de DHO; ook dat wilde de minister bekijken maar dan ging het alleen om het identificeren van de kenmerken en niet om het bevoordelen van instellingsoverschrijdende erkenning van statuten ter zake.

Ik verwijs tot slot, zoals gebruikelijk, naar de video [vanaf 12:40] van de integrale bespreking op de website van het Vlaams Parlement.

Reageren op dit commentaar kan bij Wilfried Van Rompaey wifried.vanrompaey@katholiekonderwijs.vlaanderen.

Verwante artikels

OVER DEZE BLOG

Deze blog is niet bedoeld als formeel standpunt van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, evenmin als een puur verslag, maar wel als een niet-neutraal, persoonlijk commentaar op vooral ook politieke aspecten van de parlementaire onderwijsactiviteiten, zowel in de Commissie Onderwijs en de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement als uitzonderlijk ook in een andere vakcommissie die occasioneel relevant kan zijn voor het beleidsdomein Onderwijs.

×
Kijkt als...
Niveau
Regio
Kan ik je helpen?