Vlaanderen staat bekend om zijn welvaart en degelijk onderwijs. Maar achter die façade schuilt een harde waarheid: te veel kinderen groeien op in armoede. Eén op vier kinderen in een eenoudergezin, en zelfs meer dan de helft van de kinderen uit niet-EU-gezinnen, leven in omstandigheden die hun kansen ernstig beperken. De kloof tussen school en gezinnen in armoede is soms groot - met misverstanden en frustraties als gevolg. Wie zelf niet in armoede is opgegroeid, kent die leefwereld vaak niet van binnenuit.
Als leraar is het belangrijk om je bewust te zijn van die verschillende leefwerelden. Alleen zo kun je gezinnen in armoede begrijpen en maatregelen in de klas op de juiste manier nemen.
Werkloosheid, slechte huisvesting, relatieproblemen, een laag opleidingsniveau, beperkte financiële middelen, schulden, druk op het gezinsleven, sociaal isolement en afhankelijkheid van hulpverlening: deze factoren komen vaak samen voor en versterken elkaar. Ze vormen een complex kluwen dat we armoede noemen.
Kinderen die in zo’n situatie opgroeien, krijgen vaak te weinig voeding, stimulansen en emotionele steun. Dat heeft gevolgen voor hun gezondheid, hun schoolprestaties en hun lichamelijke en cognitieve ontwikkeling. Ook hun zelfbeeld, gedrag, ambities en relaties met anderen komen onder druk te staan.Armoede is meer dan een gebrek aan geld. Het gaat om een ongelijke verdeling van vier soorten kapitaal in onze samenleving: (Nicaise & Desmet, 2008)
Armoede is meer dan een gebrek aan geld. Het gaat om een ongelijke verdeling van vier soorten kapitaal in onze samenleving: (Nicaise & Desmet, 2008)
Wanneer deze vormen van kapitaal ongelijk verdeeld zijn, spreken we van kansarmoede. Die ongelijkheid leidt tot achterstelling, discriminatie en ongelijke behandeling. Iemand met weinig geld maar een sterke opleiding en sociaal netwerk is misschien arm, maar niet kansarm.
Kansarmoede is dus een multidimensionaal en sociaal probleem waarvan de oorzaak veel complexer is dan enkel het gevolg van een individueel falen.
Als school is het cruciaal om oog te hebben voor deze ongelijkheid. Want ze beïnvloedt de leer- en ontwikkelingskansen van je leerlingen. Wil je kansarmoede aanpakken, dan moet je inzetten op het versterken van alle vier de kapitaalvormen. Zo verhoog je de veerkracht van je leerlingen en vergroot je hun kans op succes.
In het vademecum focussen we op het versterken van kapitaal als een zaak van gelijke onderwijskansen. Door te kijken naar de sociale en culturele achtergrond van je leerlingen - zowel individueel als in groep - werk je aan een krachtig en inclusief schoolbeleid.
Wanneer armoede van generatie op generatie wordt doorgegeven, spreken we van generatiearmoede. Kinderen die in armoede geboren worden, hebben een aanzienlijk grotere kans om later zelf ook in armoede te leven. Voor hen is het extra moeilijk om te ontsnappen aan de vicieuze cirkel van armoede. De kenmerken van kansarmoede zijn bij deze jongeren vaak nog sterker aanwezig, en ook de psychologische impact van armoede laat zich dieper Dit heeft een directe invloed op hun zelfbeeld, motivatie, interesse en uiteindelijk ook op hun schoolprestaties.
Armoede - of een lage socio-economische status - is een onderdeel van de superdiversiteit in onze samenleving. Jongeren dragen vaak meerdere kenmerken die samen hun kwetsbaarheid bepalen. Denk aan taalachterstand, migratieachtergrond, beperkte toegang tot onderwijs of discriminatie. Wanneer deze factoren elkaar versterken, nemen de kansen exponentieel af. Dat leidt tot ongelijkheid, uitsluiting, vooroordelen en soms zelfs racisme.
Als leraar is het belangrijk om stil te staan bij je eigen referentiekader. Onze verwachtingen en gedragingen worden vaak gestuurd door impliciete en onbewuste beelden over jongeren. Daardoor kunnen we - zonder het te willen - barrières opwerpen voor leerlingen met een lage socio-economische status. Die barrières belemmeren hen om hun potentieel ten volle te benutten.
In stedelijke contexten groeit armoede het snelst bij etnisch-culturele minderheden. Meer dan de helft van de kinderen die in armoede opgroeien, heeft een moeder die bij haar geboorte geen Belgische nationaliteit had. Deze jongeren worden vaak geconfronteerd met meerdere vormen van sociale uitsluiting, racisme en discriminatie. Meer info vind je op de PRO.-pagina Diversiteit.
Daarnaast zien we een verschuiving in het profiel van mensen in armoede. Ook gezinnen met twee werkende ouders komen steeds vaker in financiële moeilijkheden. Ze leven op of net onder de armoedegrens, zonder reserves. Deze verdoken armoede is minder zichtbaar, maar verdient evenveel erkenning en aandacht.
Als leraar speel je een sleutelrol in het doorbreken van deze ongelijkheid. Door bewust om te gaan met diversiteit en kansarmoede, en door je onderwijspraktijk hierop af te stemmen, geef je élke leerling de kans om te groeien. Dat vraagt om een open blik, een inclusieve houding en een schoolbeleid dat inzet op gelijke onderwijskansen.
Iedereen kijkt naar de wereld vanuit zijn eigen referentiekader, gevormd door opvoeding, ervaringen en culturele waarden. Als leraar is het belangrijk om je hiervan bewust te zijn. Je referentiekader beïnvloedt hoe je armoede ziet - als probleem, schuld of tekort - en welke oplossingen je voorstelt. Om gelijke onderwijskansen te bieden, is een bewuste, objectieve en systematische aanpak nodig. Door je blik te verruimen, zie je niet alleen de uitdagingen, maar ook de kracht, hoop en mogelijkheden van mensen in armoede. Als je de armoede en de situatie van je leerlingen herkent, kun je ze ook erkennen. Hierbij is een waarderende grondhouding noodzakelijk: respect, openheid, flexibiliteit, luisterbereidheid en een onmetelijk geloof in de groeikansen van alle kinderen. Vanuit deze diversiteit responsieve houding geef je élke leerling de kans om zijn of haar potentieel te ontwikkelen.
Over welke kloven gaat het dan?
Kansarmen hebben vaak een laag zelfbeeld, een minderwaardigheidsgevoel en schuldgevoelens. Dat wordt soms gecompenseerd door gedrag of zichtbaar materialisme. Gevoelens worden soms impulsief geuit. Negatieve ervaringen uit het verleden creëren wantrouwen.
Kansarme gezinnen zijn weinig op de hoogte van de kennis en informatiekanalen van niet-armen, bijvoorbeeld regels rond het groeipakket of mutualiteit.
Kansarme ouders en kinderen zijn vaak minder vertrouwd met de vaardigheden van niet-kansarmen. Bijvoorbeeld hoe kinderen ondersteund kunnen worden bij huiswerk. De vaardigheden waarover ze wel beschikken, zoals ondernemingszin, worden niet gewaardeerd.
Tegenover deze gevoeligheden staan vaak krachten:
De systematische uitsluiting uit verschillende levensdomeinen: goede huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, tewerkstelling, cultuur …
Gebruik de bril van ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting
Opgeleide ervaringsdeskundigen zijn in armoede geboren en kennen de uitsluitingsmechanismen die spelen bij een leven in armoede. Ze geven je handvatten om te kijken naar je eigen referentiekader. Ze helpen je te zoeken naar de link tussen de werking van je school en ouders en kinderen in armoede. Zij kunnen moderator en facilitator naar sociale netwerken zijn, contact leggen tussen kansarme gezinnen en school, ouders ondersteunen in het contact leggen met initiatieven voor vrijetijdsbesteding van de kinderen, meegaan naar dienstverlening als de drempel voor ouders te hoog is.
Je kunt als school een opgeleide ervaringsdeskundige aanspreken voor een vorming. In de verenigingen waar armen het woord nemen (www.netwerktegenarmoede.be) leren mensen in armoede vaardigheden die ze kunnen aanwenden om in dialoog te gaan.
Organiseer met je collega’s tijdens een pedagogische studiedag of als nascholingsmoment een sociale wandeling doorheen je stad of gemeente. Je kunt je laten begeleiden door een welzijnspartner of een lokale armoedewerking. Zo maak je kennis met een waaier aan instellingen en reflecteer je met je collega’s over het omgaan met armoede op school.
Een eerste stap in het voeren van een (kans)armoedebeleid is het leren herkennen van signalen. Signaallijsten (zie inspirerende materialen) kunnen een hulpmiddel zijn. Het kan niet de bedoeling zijn om ze als afvinklijst te gebruiken. Wel zijn ze een hulpmiddel om het beleid van de school vorm te geven en leraren te sensibiliseren.
Het Vlaamse onderwijsbeleid houdt al langer rekening met de achtergrondkenmerken van leerlingen. De OKI of Onderwijskansarmoede-indicator wordt berekend als het aantal van de vier leerlingenkenmerken waaraan de leerlingen voldoen ("aantikken"):
Leerlingen met één of meerdere OKI-kenmerken leveren meer middelen op aan de school dan kinderen die niet of minder aan die kenmerken voldoen.
OKI-kenmerken worden gebruikt om het werkingsbudget leerlingenkenmerken in het gewoon onderwijs te bepalen.
In het basisonderwijs worden lestijden jaarlijks toegekend op basis van drie van de vier leerlingenkenmerken die we kennen van de OKI. In het secundair onderwijs krijgen scholen aanvullende lesuren gelijke onderwijskansen (GOK-uren) genoemd. In het buitengewoon onderwijs krijgen enkel scholen met het type basisaanbod en type 2 GOK-lesuren/tijden. Meer lezen.
Je school beschikt over verschillende databronnen die het mogelijk maken een beeld te krijgen van je leerlingen in je klas of school. Heb je heel veel leerlingen die aantikken op de SES-of GOK-indicatoren, dan telt je school allicht ook heel wat leerlingen die in een gezin in armoede opgroeien.
Analyseer de schoolresultaten van de leerlingen, op basis van brede evaluatie (observatie-instrumenten) en gegevens uit leerlingvolgsystemen en koppel die gegevens aan het SES-profiel van de leerlingen. Bekijk ook het profiel van de leerlingen die spijbelen, die problematisch afwezig zijn of leerlingen die via een tuchtprocedure uitgesloten werden (worden), van de leerlingen wier schoolrekening niet (volledig) betaald wordt. Ga daarbij na of de lage SES-leerlingen niet systematisch uitvallen, of ze positief ontwikkelen, of de kloof met de andere leerlingen verkleint. Als uit die analyse blijkt dat je er niet genoeg in slaagt met die leerlingen vooruitgang te boeken, ga dan in gesprek met je collega’s en het schoolbeleid.
Deze analyse is nodig om de beginsituatie inbeeld te brengen om daarmee de gepaste doelen en acties te kunnen formuleren. Je kan hierover meer informatie vinden op de PRO.-pagina Gelijke onderwijskansen. Meer info over data in je school vind je op de PRO.-pagina Datakaart.
