Het handelingswerkwoord reflecteren is alomtegenwoordig in de leerplandoelen filosofie: reflecteren over ethische vraagstukken, over de mens, over waarheid en kennis... Een specifiek handelingswerkwoord dat net door die alomtegenwoordigheid ook het vak filosofie zelf een zeer specifiek karakter geeft. Wat begrijpen we onder reflecteren in het vak filosofie en hoe kunnen we onze leerlingen ertoe brengen te reflecteren over de verschillende filosofische thema's in de leerplannen?
In het glossarium wordt reflecteren begrepen als het kritisch nadenken over en argumenten afwegen zoals in een dialoog, een gedachtewisseling, een paper... In het Vlaams Parlement heeft men het handelingswerkwoord als volgt gedefinieerd: 'In filosofieonderwijs betekent reflecteren dat leerlingen redeneren vanuit filosofische visies, dat ze die visies kritisch evalueren en dat ze een beargumenteerd standpunt ontwikkelen. Die kritische reflectie veronderstelt dat leerlingen niet alleen filosofische concepten en visies uitleggen, analyseren en toepassen, maar ook dat ze filosofische vaardigheden inzetten zoals filosofische vragen stellen, een filosofisch gesprek voeren, filosofische teksten interpreteren en argumenteren voor of tegen een bepaalde visie.' De specifieke doelstelling van het vak filosofie is om leerlingen ertoe te brengen een eigen beargumenteerd standpunt over de besproken thema's te ontwikkelen in gesprek met de geziene filosofen: zo brengen we filosofie en filosoferen, de filosofische vaardigheden en de filosofische domeinen samen.
Zoals in de definitie van het Vlaams Parlement gesteld wordt, vereist reflecteren veel vaardigheden: redeneren, kritisch evalueren, argumenteren, concepten uitleggen, analyseren en toepassen, filosofische vragen stellen, filosofische gesprekken voeren, filosofische teksten interpreteren... Vooraleer een leerling vanuit de eigen tijd volgens de regels van de kunst in gesprek kan treden met de filosofische traditie, dienen heel wat stappen gezet te worden.
Leerlingen moeten ten eerste weten wat in de filosofische traditie gezegd werd over het besproken thema: welke standpunten hebben filosofen reeds ingenomen met betrekking tot dit thema en hoe beargumenteerden zij dat standpunt? Welke filosofische concepten zijn cruciaal voor deze standpunten en hoe worden deze begrepen? Je hebt hier meestal de keuze welke filosofen en/of stromingen je aan het woord laat: zorg voor woord en weerwoord, nuance...
Het is ook nodig dat leerlingen begrijpen wat de onderlinge verbanden zijn binnen de standpunten en argumenten van de geziene filosofen en stromingen: hoe verhouden verschillende elementen van de filosofische theorie zich tot elkaar, welke rol spelen centrale concepten van een welbepaalde filosoof daarin...?
Daarnaast verkennen de leerlingen ook de implicaties van bepaalde theorieën door ze toe te passen op nieuwe, bij voorkeur eigentijdse casussen: wat zou een plichtethicus denken over de juiste omgang met hersendode lichamen? Wat kan een bepaalde kenleer betekenen voor het inschatten van de impact van AI op hoe we actueel kennis verwerven?
Daarbij ontdekken leerlingen ook de verschillen en gelijkenissen tussen de besproken filosofen en stromingen: een ander mensbeeld leidt tot een andere kenleer, een ander begrip van vrijheid leidt tot een andere politieke filosofie...
Gaandeweg evalueren de leerlingen kritisch waar de geziene standpunten en argumenten sterk en zwak staan: wanneer is zorgethiek een zinvol kader en wanneer wordt het moeilijk houdbaar? Wat kan de hedendaagse relevantie zijn van de Aristotelische metafysica?
Pas als leerlingen deze stappen gezet hebben, kunnen zij uiteindelijk zinvol reflecteren: een eigen beargumenteerd standpunt ontwikkelen in gesprek met de geziene filosofen en stromingen. Als je een leerplandoel wil realiseren, is het handig om deze stappen te expliciteren in tussenstappen aan de hand van lesdoelen, leerdoelen, formatieve evaluaties en feedbackmomenten.
In functie van deze opbouw kies je de werkvormen, filosofische vaardigheden, leerinhouden en leerstrategieën die het meest zinvol zijn om het leerplandoel te realiseren en jouw leerlingen tot reflectie te brengen.
Naast de stappen die de leerling moet zetten om de leerinhouden te kennen, te begrijpen, toe te passen... is reflectie pas mogelijk wanneer de leerling ook in staat is om de filosofische vaardigheden, geformuleerd in de eerste 4 leerplandoelen, gericht en bewust in te zetten.
Een klassiek scenario is dat je de leerlingen bij aanvang van de les(senreeks) alvast laat nadenken over het thema, via een literair fragment, een kunstwerk, een opiniestuk, een krantenartikel, een filosofische vraag, een stelling... Je vraagt de leerlingen om zich uit te spreken over een concreet, bij voorkeur herkenbaar vraagstuk binnen het te bespreken thema: wat denken de leerlingen daar nu over en waarom? Dat kan in gesprek met medeleerlingen in kleine of grote groepen; zorg voor een schriftelijke neerslag van standpunt en (tegen)argumenten en vraag de leerlingen om dit te bewaren. Je haalt zo voorkennis op en maakt het thema meteen actueel problematisch. Leerlingen beargumenteren een standpunt, maar stellen zich bijvoorbeeld ook al filosofische vragen rond het thema.
Vervolgens introduceer je de leerlingen tot de filosofische traditie rond dit thema: welke standpunten en argumenten bestaan er al? Vanuit welke mens- en wereldbeelden zijn deze ontstaan? Welke concepten spelen daar een centrale rol in en hoe werden deze begrepen? Welke hardnekkige discussiepunten hebben zich gevormd? Je hebt veel vrijheid om te kiezen welke denkers en stromingen je aan het woord laat en volgens welke criteria je deze keuzes maakt met het oog op je schoolcontext en leerlingenpubliek. Hier kan je leerlingen bijvoorbeeld filosofische teksten laten analyseren of interpreteren om er de leerinhouden uit te distilleren
Om de les(senreeks) af te sluiten, nodig je de leerlingen uit om opnieuw een standpunt te beargumenteren rond een vraagstuk binnen het besproken thema, zij het dat zij nu het eigen standpunt ook aftoetsen aan de leerinhouden, de standpunten, argumenten en concepten van de geziene denkers en stromingen. DIt kan via werkvormen als filodating, emotienetwerken, de stille wand, een debat, een essay... Je kan dan afsluiten met een terugblik: elke leerling bekijkt dan of hij of zij het oorspronkelijke standpunt gewijzigd en/of versterkt heeft en welke meerwaarde de geziene leerinhouden daarbij geboden hebben. Je kan leerlingen hiervan mondeling of schriftelijk verslag laten uitbrengen en dit integreren in het leerproces.
De reflectievraag als uitnodiging tot steeds meer complex en zelfstandig reflecteren
Omdat leerplanrealisatie pas plaatsvindt wanneer de leerlingen reflecteren, is het belangrijk dat zij daar over de leerjaren heen toe uitgenodigd worden. Daarom is de reflectievraag een specifiek type vraag, die zowel tijdens de les als bij evaluatiemomenten een belangrijke rol speelt. Een reflectievraag daagt de leerling uit om een eigen standpunt te beargumenteren, waarbij de leerling het eigen denken aftoetst aan dat van de besproken denkers en stromingen en daarbij filosofische vaardigheden, zoals de interpretatie van filosofische teksten en het formuleren van filosofische vragen, en filosofische concepten inzet.
De leerplannen vragen dat de leerlingen groeien naar meer complex en meer zelfstandig reflecteren. Het is zinvol om dat als vakgroep filosofie in een verticale leerlijn te gieten, waarbij je in functie van je schoolcontext en leerlingenpubliek volgende keuzes kan vastleggen in een evolutie van het 3de tot het 6de leerjaar:
Maak overigens ook gebruik van deze bewegingsruimte om ook te differentiëren binnen de leerjaren met het oog op taalzwakke leerlingen, instromers, het onderscheid tussen oefeningen, formatieve en summatieve evaluatiemomenten...
We bekijken hoe je deze vragen vorm kan geven in de tweede en de derde graad.
In de tweede graad zou je bij het reflecteren over een gelukkig en zinvol leven (LPD 10+) bijvoorbeeld deze vraag kunnen stellen:
a) Wanneer was jij voor het laatst gelukkig? Wat betekent geluk dan voor jou?
b) In hoeverre beantwoordt dit moment aan het epicuristische idee van geluk? Gebruik in je antwoord de vakterm ataraxia zinvol.
We vragen hier aan de leerling om een eigen begrip van geluk te definiëren en te illustreren, waarbij het vooral belangrijk is dat de definitie en het voorbeeld in elkaars verlengde liggen. Vervolgens moet de leerling dit naast het epicuristisch idee van geluk leggen: wat zijn de overeenkomsten en verschillen? Kennis van het epicurisme en de vaardigheid om te analyseren en kritisch te evalueren zijn hier cruciaal. Ten slotte is de leerling ook verplicht in het antwoord het epicuristisch concept ataraxia te gebruiken: dat gaat om kennis van de leerinhoud, maar ook om de vaardigheid om te reflecteren over aangebrachte thema's, rekening houdend met de geschiedenis van de filosofie (LPD 4+).
Hier heeft men ervoor gekozen om de vraag op te splitsen in deelvragen, om het gebruik van een specifiek concept te verplichten en om de concepten in de vraag te markeren.
In de 3de graad zou je in het kader van een les politieke filosofie volgende vraag kunnen stellen:
Lees de column van Ive Marx (De Standaard, 14/10/2025). Beargumenteer op de volgende bladzijde vanuit deze column of het kapitalisme volgens jou doet waarvoor het theoretisch bedoeld is. In de argumentatie voor je standpunt verwerk je volgende (tegen)argumenten (telkens een hoofdletter A). Eerst een kladschema maken helpt.
a) 1 argument van Ive (!) Marx, de schrijver van deze column
b) 1 argument van Adam Smith voor het kapitalisme
c) 1 argument van Milton Friedman voor de vrije markt
d) 1 argument van Karl (!) Marx tegen het kapitalisme
Gebruik vaktermen zinvol.
Hier wordt gevraagd om tekstinterpretatie te hanteren in de argumentatie en om (tegen)argumenten van specifieke denkers te integreren. Daarnaast vragen we de leerlingen ook om argumenten in de marge te signaleren met een A. Ten slotte wordt er verwacht dat de leerling zelf kiest welke filosofische concepten zinvol kunnen zijn in de argumentatie.
Uiteraard is het essentieel dat dit type vragen de nodige aandacht en vanzelfsprekendheid krijgt tijdens de les: voorzie de tijd om deze vaardigheid structureel aan te scherpen. Laat leerlingen antwoorden bespreken, rangschikken en evalueren, analyseer sterke en zwakke antwoorden klassikaal, toon sterke antwoorden, laat leerlingen samen argumentaties in eerste en tweede versies formuleren na peerevaluatie...
Daarnaast is het ook mogelijk om een samenwerking met het vak Nederlands op te zetten, bijvoorbeeld rond volgende zaken:
Laat leerlingen ten slotte bij reflectieopdrachten niet alleen reflecteren over de leerinhouden, maar ook over de wijze van reflecteren zelf: een formele zelfevaluatie na een filosofisch debat, peerevaluatie met specifieke aandachtspunten zoals het gebruik van filosofische concepten, de integratie van standpunten en argumenten van geziene denkers of medeleerlingen...

