Werken rond pesten is geen afzonderlijk spoor. Het is onlosmakelijk verweven met enerzijds het voortdurend scheppen van een verbindend school- en klasklimaat en anderzijds het implementeren van de totale discipline SEL.
In een verbindend klimaat wordt bewust gewerkt aan de verbinding van leraren en leerlingen met zichzelf, met elkaar, met de klas en met de school. Daarnaast wordt via de discipline SEL ingezet op de sociale en emotionele kennis, vaardigheden, inzichten en attitudes van leerlingen.
Deze leerroute helpt jou als leraar om de samenhang tussen de doelen Sociaal en Emotioneel Leren[1] rond ‘pesten voorkomen en aanpakken’ zichtbaar te krijgen zodat je, vanuit de discipline SEL, doelgericht kan werken aan het voorkomen, herkennen en aanpakken van pesten. De leerroute toont welke onderliggende SEL-doelen deze competenties stapsgewijs kunnen voorbereiden.
De leerroute kan je gebruiken om binnen het thema ‘pesten voorkomen en aanpakken’ gericht doelen te selecteren en samenhang tussen doelen te herkennen. De ‘hoe’ en de ‘wat’ kan je hierdoor sterker met elkaar verbinden vanuit een duidelijke ‘waartoe’. De leerroute is geen afzonderlijke leerlijn of uitgewerkt antipestprogramma.
Werken rond pesten is geen afzonderlijk spoor. Het is onlosmakelijk verweven met enerzijds het voortdurend scheppen van een verbindend school- en klasklimaat en anderzijds het implementeren van de totale discipline SEL.
In een verbindend klimaat wordt bewust gewerkt aan de verbinding van leraren en leerlingen met zichzelf, met elkaar, met de klas en met de school. Daarnaast wordt via de discipline SEL ingezet op de sociale en emotionele kennis, vaardigheden, inzichten en attitudes van leerlingen.
Deze beide sporen zijn voortdurend verweven met elkaar en vormen samen de context waarbinnen pesten wordt voorkomen en aangepakt.
De leerroute vertrekt van het minimumdoel en de G-routedoelen.
S-routedoelen worden afzonderlijk en cursief vermeld als aanknopingspunten voor de leerling die deze route volgt. Ze behoren niet tot de algemene doelenlijn en worden daarom niet als verplichte tussenstappen van de G-routedoelen voorgesteld.
6-9.3.1 De leerlingen weten hoe gepast te reageren op plagen en pesten.
Subdomein: zelfbewustzijn
Cluster: eigenheid en grenzen
9-3.2.GL4.6 De leerlingen herkennen het verschil tussen plagen en pesten.
De leerlingen leren het verschil herkennen tussen plagen en pesten. Ze ontdekken dat plagen meestal gebeurt wanneer ze plezier maken en dat het stopt wanneer iemand aangeeft dat het niet leuk meer is. Bij pesten worden ze gekwetst, uitgelachen of buitengesloten en blijft dit vaak terugkomen. De focus ligt op het begrijpen van de impact op zichzelf. Ook al is het als grap bedoeld, het kan toch kwetsend overkomen.
9-3.2.GL4.7 De leerlingen weten welke stappen kunnen helpen wanneer zij met pestgedrag geconfronteerd worden.
De leerlingen leren dat pestgedrag niet verborgen hoeft te blijven en maken kennis met manieren om zichzelf te beschermen en ondersteuning te zoeken.
Voorbeelden:
• Weten dat je mag aangeven dat het moet stoppen als je iets niet leuk vindt.
• Weten dat je mag weggaan als een situatie niet oké voelt.
• Weten dat je steun en hulp mag zoeken bij een vriend, vertrouwde volwassene.
• Weten dat je mag luisteren naar wat jij voelt.
Subdomein: ethisch en verantwoordelijk handelen
Cluster: respectvol omgaan met anderen
9-3.4.GL5.7 De leerlingen kunnen sociale situaties analyseren aan de hand van kenmerken van plagen, onenigheid, conflict en pesten.
Voorbeelden:
• Plagen gebeurt vaak tussen leerlingen die zich veilig voelen bij elkaar, beide leerlingen kunnen ermee stoppen en kunnen ermee lachen.
• Bij een onenigheid, een ruzie willen beide leerlingen vaak iets anders. De onenigheid gaat vaak over een concrete situatie en er is geen duidelijk machtsverschil.
• Bij een conflict botsen behoeften, verwachtingen, standpunten en moet er een oplossing gezocht worden.
• Pesten gebeurt herhaaldelijk, er is een machtsverschil en de persoon die gepest wordt kan zich moeilijk verdedigen. Het heeft een negatieve impact op het welzijn van de betrokken leerling.
9-3.4.GL6.19 De leerlingen weten hoe gepast te reageren op plagen en pesten.
De leerlingen leren welke reacties helpend kunnen zijn wanneer zij plagen of pesten meemaken, zien gebeuren of ervan horen. Ze ontdekken dat gepast reageren kan bijdragen aan veiligheid, respect en het stoppen van kwetsend gedrag.
Voorbeelden:
• Duidelijk aangeven dat het moet stoppen, laten merken dat het gedrag niet oké is.
• Steun zoeken bij vrienden, hulp inschakelen van een volwassene.
• Kwetsende berichten bewaren en melden.
• Afstand nemen van de situatie, zelf niet meedoen met pesten, zelf geen kwetsende berichten verder verspreiden.
Bron: https://opstap.katholiekonderwijs.vlaanderen (18/09/2026)
Bij pesten is er sprake van een machtsonevenwicht. De leerling die gepest wordt, kan daarom niet verantwoordelijk worden gemaakt voor het zelf oplossen van de situatie of voor verzoening met de leerling die pest. Doelen rond probleemoplossing, perspectiefname en herstel worden alleen ingezet binnen een veilige, door volwassenen begeleide aanpak. Het stoppen en opvolgen van het pestgedrag blijft mee de verantwoordelijkheid van de school.
Om het verschil tussen plagen en pesten te begrijpen, leren de leerlingen zowel bij zichzelf als bij de ander stilstaan bij wat gedrag teweegbrengt.
Bij zichzelf leren de leerlingen voelen, herkennen en aangeven wat oké of niet oké voelt. Ze leren voelen, herkennen en aangeven waar hun grens ligt, wanneer iets wel of niet kwetst.
Naar de ander toe leren de leerlingen opmerkzaam zijn voor wat gedrag bij de ander teweegbrengt. Ze leren opmerkzaam zijn voor signalen, gevoelens en reacties en proberen inschatten wat gedrag voor die ander betekent. De leerlingen leren daarbij dat mensen eenzelfde situatie verschillend kunnen beleven. Ze ontdekken dat je de beleving en grens van een ander kan proberen inschatten, maar dat de ander zelf aangeeft wat voor hem of haar oké of niet oké is, of m.a.w. wat voor de ander als plagen of als pesten ervaren wordt. Die beleving vraagt om mee rekening te houden. Ook kwetsend gedrag, herhaling, machtsonevenwicht en de moeilijkheid om zich te verdedigen, spelen een rol. Een leerling hoeft bovendien niet eerst duidelijk “stop” te hebben gezegd voordat volwassenen pestgedrag ernstig nemen.
Het leren onderscheiden van plagen en pesten staat niet op zichzelf. Leerlingen doen hiervoor een beroep op kennis, vaardigheden, inzichten en attitudes waaraan binnen verschillende onderdelen van SEL wordt gewerkt. Ze leren stilstaan bij wat gedrag bij zichzelf teweegbrengt, signalen en mogelijke gevoelens bij anderen opmerken, verschillende perspectieven innemen en rekening houden met grenzen. De doelen hieronder tonen waar je binnen de discipline SEL aan deze onderliggende kennis, vaardigheden, inzichten en attitudes werkt.
Binnen de discipline SEL zien we hiervoor een samenhang van doelen. Het leren onderscheiden van plagen en pesten doet immers een beroep op meerdere onderdelen van SEL.
Het herkennen van het verschil tussen plagen en pesten bij zichzelf, sluit aan bij het domein: leren over jezelf, het subdomein: zelfbewustzijn en de cluster: emoties, gevoelens en behoeften bij jezelf.
Zo moeten leerlingen gevoelens kunnen benoemen in concrete situaties (9-3.2.GK2.3) en later ervaringen genuanceerd kunnen benoemen met een ruime woordenschat (9-3.2.GL3.2 / GL4.2).
Bij oudere leerlingen wordt dit: kunnen verwoorden wat voor henzelf belangrijk of nodig kan zijn in concrete situaties (9-3.2.GL5.1 / GL6.1).
Daarnaast staat ook binnen de S-routedoelen in de discipline expliciet dat de leerling moet weten dat respect voor zijn persoonlijke ruimte en fysieke grenzen leidt tot een gevoel van veiligheid (9-3.2.SF4.2).
Het herkennen van het verschil tussen plagen en pesten naar de ander toe, sluit aan bij het domein: leren over anderen en jezelf, het subdomein: sociaal bewustzijn en de cluster: emoties, gevoelens en behoeften bij de ander.
Daar staat dat leerlingen lichamelijke signalen, gezichtsuitdrukkingen en gedrag bij anderen kunnen verbinden met mogelijke betekenissen en gevoelens (9-3.3.GK2.1). Dit sluit aan bij het belang dat leerlingen slechts kunnen inschatten en niet met zekerheid kunnen weten wat de ander voelt.
Binnen de S-routedoelen zegt 9-3.3.SF4.2 dat de leerling weet dat anderen eigen voorkeuren en gevoelens hebben. 9-3.3.SF4.3 geeft aan dat dezelfde situatie verschillende gevoelens kan oproepen bij verschillende personen.
Ook doelen uit de cluster: perspectiefname ondersteunen dit leerproces. Zowel het vergelijken van standpunten als het kunnen uitleggen hoe verschillende waarnemingen tot verschillende reacties kunnen leiden, komt aan bod (9-3.3.GL3.6/7 en GL4.6/7).
Binnen de S-routedoelen leert de leerling dat niet iedereen hetzelfde opmerkt (9-3.3.SF4.1), dat anderen iets anders kunnen denken (9-3.3.SF5.2) en dat hij het perspectief van een ander kan verwoorden (9-3.3.SF5.4).
Van opmerken en begrijpen wordt de stap gemaakt naar handelen. Dit vertrekt vanuit leren over anderen en jezelf bij het subdomein: relatievaardigheden en de cluster: grenzen in interactie. Daar staan doelen rond het herkennen van een fysieke grens (9-3.3.GL1.13 / GL2.13) en rekening houden met de grens van een ander tijdens spel of samenwerking (9-3.3.GL3.16 / GL4.21).
Binnen leren over identiteit en respect, het subdomein ethisch en verantwoordelijk handelen en de cluster: respectvol omgaan met anderen gaat het over respectvol rekening houden met wat anderen voelen, denken en doen (9-3.4.GL3.7 / GL4.14).
Het minimumdoel 4-9.1.14 formuleert bovendien expliciet dat leerlingen weten dat het belangrijk is de eigen grenzen aan te geven en te bewaken en de grenzen van anderen te respecteren. Ook het minimumdoel 4-9.1.15 waarbij leerlingen positieve en negatieve manieren van omgaan met diversiteit kunnen herkennen, is hieraan gelinkt.
Leerlingen leren sociale situaties analyseren, verschillende standpunten en perspectieven in rekening brengen, weten bij wie ze voor een probleem terechtkunnen en ze leren oog hebben voor het effect van gedrag. De leerlingen leren ook een probleem herkennen en uiten, leren verschillende oplossingsmogelijkheden kennen en bedenken, een doordachte keuze maken, gericht hulp vragen, … Deze kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes komen samen wanneer leerlingen leren welke stappen kunnen helpen wanneer zij met pestgedrag geconfronteerd worden en hoe zij gepast kunnen reageren op pesten.
Weten hoe gepast te reageren op pesten vraagt verschillende onderliggende kennis, vaardigheden, inzichten en attitudes. Leerlingen leren sociale situaties analyseren en verschillende perspectieven in rekening brengen. Ze leren een probleem herkennen en uiten, oplossingsmogelijkheden kennen en bedenken, keuzes maken, handelen en gericht hulp vragen. De doelen hieronder maken zichtbaar waar deze verschillende aspecten binnen de discipline SEL worden opgebouwd.
De doelen rond pesten staan niet op zichzelf. Om te kunnen herkennen wat er gebeurt en gepast te kunnen reageren, doen leerlingen een beroep op kennis, vaardigheden, inzichten en attitudes die doorheen verschillende domeinen, subdomeinen en clusters van de discipline SEL worden opgebouwd.
Hierna afgekort als SEL (Sociaal en Emotioneel Leren). ↑
EEN SOCIALE SITUATIE BEKIJKEN EN INSCHATTEN
Ook binnen het subdomein: sociaal bewustzijn en de cluster perspectiefname vinden we doelen die aansluiten bij het beoordelen van een sociale situatie alvorens erop te reageren. Leerlingen kunnen gedrag van anderen beschrijven zonder te oordelen (9-3.3.GL3.5 / GL4.5), in een concrete situatie minstens twee standpunten vergelijken (9-3.3.GL3.6 / GL4.6) en uitleggen hoe verschillende waarnemingen tot verschillende reacties kunnen leiden (9-3.3.GL3.7 / GL4.7).
Binnen de S-routedoelen kan de leerling het perspectief van een ander verwoorden (9-3.3.SF5.4).
HULP VRAGEN
Hulp vragen krijgt een duidelijke opbouw binnen het domein: leren over anderen en jezelf, het subdomein: relatievaardigheden en de cluster: contact en communicatie. Al vanaf het begin gaat het om een vertrouwde volwassene verbale of non-verbale signalen kunnen geven wanneer ze nood hebben aan hulp, troost of ondersteuning (9-3.3.GJK.4). Dit evolueert verder via weten hoe ze een aangewezen volwassene kunnen aanspreken wanneer nodig (9-3.3.GK2.4) tot effectief een aangewezen volwassene hulp kunnen vragen of aanspreken wanneer nodig (9-3.3.GK3.5).
Het zelfstandig hulp kunnen vragen aan een aangewezen volwassene in verschillende situaties (9-3.3.GL1.3 / GL2.3) evolueert naar in verschillende situaties doelgericht hulp kunnen vragen (9-3.3.GL3.11 / GL4.14).
Binnen de S-routedoelen kan de leerling gericht hulp vragen in functie van een probleem (9-3.3.SF5.20) en weet de leerling bij wie hij/zij voor welk soort probleem terecht kan (9-3.3.SF5.21).
GRENZEN DUIDELIJK MAKEN
Bij het subdomein: relatievaardigheden en de cluster grenzen in interactie, vinden we verschillende doelen rond het aangeven van een grens. Deze opbouw start met een doel (9-3.3.GK2.17) waarbij leerlingen leren verbaal of non-verbaal aan te geven wat voor hen prettig of niet prettig voelt in contact met anderen en het verbaal aangeven wanneer een fysieke of morele grens bereikt wordt (9-3.3.GL1.12 / GL2.12).
ZOEKEN NAAR EEN OPLOSSING OF HERSTEL
Bij het subdomein: relatievaardigheden en de cluster: constructief omgaan met onenigheid vinden we doelen die gericht zijn op het verkennen, kennen en kunnen toepassen van strategieën om een onenigheid op te lossen of te herstellen. Dit start vanaf 9-3.3.GK2.18 bij het verkennen en gaat door tot het effectief samen zoeken naar een oplossing of herstel dat rekening houdt met alle betrokkenen (9-3.3.GL6.14).
Ook hier willen we nog eens -zeker in de context van het aanpakken van pesten- het belang van de gedeelde verantwoordelijkheid (volwassenen en leerlingen) en het -binnen een veilige en door volwassenen begeleide aanpak- samen zoeken naar een oplossing of herstel, benadrukken. Leerlingen kunnen leren om pestgedrag te herkennen, steun te bieden, veilig te reageren en hulp in te schakelen. De primaire verantwoordelijkheid om het pestgedrag te stoppen, de veiligheid te herstellen en de situatie op te volgen, ligt steeds bij de volwassenen en de school.
Binnen het subdomein: relatievaardigheden, en de cluster: constructief omgaan met onenigheid, vinden we ten slotte het S-routedoel dat de leerling kan inschatten wanneer en hoe tussen te komen in een conflict (9-3.3.SF6.15). Dit legt binnen de discipline een verbinding met het inschatten van wanneer en hoe je in een sociale probleemsituatie tussenkomt.
EEN PROBLEEM ERKENNEN EN UITEN
Het herkennen en uiten van een probleem vinden we terug bij de specifieke cluster: probleembesef en oplossen. Bij deze S-routedoelen leert de leerling een ongemak of probleem herkennen (9-3.3.PF3.2) en een ervaren probleem uiten (9-3.3.PF3.3). Later kan de leerling zich uitdrukken over een probleem (9-3.3.SF5.11). Deze doelen sluiten aan bij het kunnen vaststellen en kenbaar maken dat er zich een probleem voordoet.
MOGELIJKHEDEN ZIEN, KIEZEN EN HANDELEN
Binnen dezelfde specifieke cluster: probleembesef en oplossen, gaat het vervolgens over mogelijkheden zien en een keuze maken over hoe te handelen. De leerling kan met ondersteuning een keuze maken om een probleem zelf aan te pakken of hulp te vragen (9-3.3.PF3.5) en kan later bij een probleem in actie komen door zelf een oplossing te kiezen of hulp te vragen (9-3.3.SF4.7). De leerling leert met ondersteuning mogelijkheden bedenken om tot een oplossing te komen (9-3.3.SF4.8) en uit samen bedachte mogelijkheden een oplossing kiezen (9-3.3.SF4.9). Vervolgens kent de leerling verschillende oplossingsmogelijkheden (9-3.3.SF5.12), kan uit mogelijke oplossingsstrategieën een doordachte keuze maken (9-3.3.SF5.14) en kan oplossingsgericht handelen in sociale en praktische situaties (9-3.3.SF5.15).
De stap naar het handelen wordt verder gemaakt in het domein: leren over identiteit en respect (zoals ook reeds in 3.4.3 aangegeven).
Binnen het subdomein: ethisch en verantwoordelijk handelen en de cluster: respectvol omgaan met anderen start het bij vriendelijk omgaan met anderen (9-3.4.GJK.3) en gaat het verder met respectvol omgaan met verschillen (9-3.4.GK3.8), respectvol rekening houden met anderen (9-3.4.GL3.7 / GL4.14) om verder door te ontwikkelen tot het kwetsende karakter kunnen uitleggen van uitsluiting, ongelijke behandeling, racisme, discriminatie, … (9-3.4.GL3.9 / GL4.16) en uiteindelijk gepast kunnen reageren (9-3.4.GL4.17, 9-3.4.GL4.18, 9-3.4.GL6.19).
(Online) pestgedrag wordt expliciet opgenomen binnen de specifieke cluster (Online) pesten, binnen het domein: ethisch en verantwoordelijk handelen. De leerling weet hoe hij/zij kan omgaan met online pestgedrag (9-3.4.SF5.7 / SF6.6). Daarbij weet de leerling dat hij/zij hulp kan vragen wanneer hij/zij online iets vervelends meemaakt (9-3.4.SF5.9) en weet hij/zij bij wie hulp te zoeken wanneer hij/zij zich online onveilig voelt (9-3.4.SF6.10).
Heb je nood aan inspiratie rond pesten en de aanpak van pesten, dan vind je inspiratie onder ‘meer weten’ op: https://pro.katholiekonderwijs.vlaanderen/welbevinden/pesten-en-de-aanpak-van-pesten
We zoomen hieronder even in op 2 mogelijke ingangspoorten.
Sensoa ontwikkelde oorspronkelijk de 5 A’s om omstanders handelingsmogelijkheden te bieden bij seksueel grensoverschrijdend gedrag:
Hoewel het model dus niet specifiek voor pestsituaties werd ontwikkeld, is het ook binnen de preventie en aanpak van pesten bijzonder bruikbaar.
Pesten is immers een groepsproces. Naast de leerling die pest en de leerling die gepest wordt, zijn er vaak omstanders aanwezig. Hun reactie kan het pestgedrag versterken, bijvoorbeeld door mee te lachen of weg te kijken, maar kan ook bijdragen aan het stoppen ervan en aan de veiligheid van de gepeste leerling.
De 5 A’s maken voor leerlingen concreet dat helpen op verschillende manieren kan. Ze hoeven niet altijd rechtstreeks tussenbeide te komen: ook nabij blijven, steun bieden, de situatie onderbreken of een volwassene inschakelen zijn waardevolle reacties.
Anderen betrekken kan soms wat onder spanning komen staan omdat het foutief ingevuld wordt als ‘klikken’. Melden duidelijk onderscheiden van klikken, is dus ook een belangrijke ingangspoort.
Door de handelingsmogelijkheden vanuit de 5 A’s vooraf te bespreken en in herkenbare situaties te oefenen, kan de handelingsverlegenheid van leerlingen verkleinen. Ze leren inschatten welke reactie in een bepaalde situatie haalbaar en veilig is. De 5 A’s kunnen worden aangeboden als een soort keuzemenu van mogelijke reacties. Het is geen stappenplan. Niet elke reactie is in elke situatie immers veilig of haalbaar.
Bij online pestgedrag kan archiveren als bijkomende mogelijkheid worden aangeleerd.
Werken aan de preventie en aanpak van pesten vraagt blijvende aandacht gedurende het hele schooljaar. Door systematisch aan de doelen voor Sociaal en Emotioneel Leren te werken, ontwikkelen leerlingen de competenties die nodig zijn om pestgedrag te helpen voorkomen, herkennen en aanpakken.
Een afgebakend focusmoment, zoals de STIP IT-actie (georganiseerd door het Netwerk Kies Kleur tegen Pesten en Ketnet) kan deze doorgaande werking versterken. Het biedt de kans om opgebouwde SEL-competenties expliciet toe te passen op ‘pestsituaties’.
De focusperiode vormt zo een jaarlijks moment van explicitering, intensivering en gezamenlijke betrokkenheid. Afspraken en vaardigheden worden zichtbaar gemaakt, geoefend en opnieuw onder de aandacht gebracht. Dat is belangrijk, omdat leerlingen niet altijd vanzelf de transfer maken van algemene SEL-competenties naar concrete pestsituaties: wat betekent grenzen respecteren wanneer iemand herhaaldelijk wordt uitgelachen? Wat kan een omstaander doen? Bij wie kan een leerling hulp zoeken?
Tijdens deze focusperiode kan een leraar bijvoorbeeld een herkenbare situatie voorleggen. De leerlingen onderzoeken eerst of het om plagen, pesten of een conflict gaat. Vervolgens kiezen zij een veilige reactie uit de 5 A’s (bij online pestgedrag aangevuld met een 6de A: Archiveren) en benoemen zij bij wie ze hulp kunnen vragen. Zo worden doelen rond gevoelens, grenzen, perspectiefname, sociale analyse en hulp vragen functioneel met elkaar verbonden.
Ook de initiatiefnemers benadrukken dat ‘STIP IT’ geen losstaande actie is, maar een betekenisvol oefen- en reflectiemoment binnen een duurzame schoolbrede aanpak. Wat tijdens deze periode geleerd en afgesproken wordt, krijgt dagelijks verder toepassing, opvolging en verankering in de klas, op de speelplaats en online.
Zo’n focusperiode is bovendien ook een ideaal moment om voor Nederlands en communicatie de coherentie te leggen met leerplandoelen uit het subdomein: interactie met literatuur. Er zijn talrijke krachtige (prenten)boeken uitgegeven rond het thema. Hieronder maar enkele suggesties met rijke teksten:
https://pro.katholiekonderwijs.vlaanderen/vademecum-zorg-en-kansen/verbindend-schoolklimaat
Hierna afgekort als SEL (Sociaal en Emotioneel Leren). ↑




