21 mei 2026 – Ontwerp van decreet over het onderwijs XXXVI: in het kort

De behandeling van dit ontwerp van genummerd onderwijsdecreet verliep volgens klassieke banen, zij het dat het nu wel om een erg groot aantal verschillende, punctuele zaken ging, maar zoals voorheen, waren die voor een groot stuk al de revue gepasseerd de voorbije maanden in de Onderwijscommissie. Nu kregen ze dus hun decretale verankering, zoals dat grondwettelijk (via het legaliteitsprincipe) geregeld is. De Vlaamse regering had het dossier definitief goedgekeurd op 8 mei 2026, mét ook meteen een aantal regeringsamendementen. En daar kwamen nog eens vier regeringsamendementen over de regeling van de zgn. inductie-eenheden bij op de dag van de commissievergadering zelf (cf. infra).

De memorie van toelichting (p.3-46) is steevast handig om de initiële toelichting van het ontwerpdecreet door de Onderwijsminister te volgen en dat was ook nu het geval. Uit de vragen- en antwoordenrondes haal ik kort nog dit:

  • ook nu klonk de klassieke opmerking, zoals ook in het Vlor-advies, dat het ontwerpdecreet ook enkele thema’s bevatte waarvoor een genummerd onderwijsdecreet eigenlijk niet bedoeld was; thema’s waarvoor meer debat nodig was en genoemd werden bijvoorbeeld permanent onderwijs aan huis (POAH), de inductieregeling en de overgang van kleuter- naar lager onderwijs (waar een soort Vlaamse toets junior dreigde, in de woorden van Roosmarijn Beckers); op zich klopte die kritiek misschien wel, maar of het alternatief (voor al zulke zaken aparte wijzigingsdecreten maken) dan zoveel beter zou zijn, leek mij toch ook erg discutabel;
  • bij het punt over het zgn. GOK-beleid vond ik de verwijzing van Loes Vandromme naar het feit dat de Onderwijsinspectie heel wat scholen op de vingers getikt had erg interessant; splitsen van klasgroepen met zulke GOK-middelen, net om beter tegemoet te komen aan leerlingen met bijzondere noden, zou niet mogen; eerlijk gezegd, heb ik daarop geen antwoord van minister Demir gehoord, maar ik kan me altijd vergissen;
  • het antwoord op de vraag naar de timing van de bekendmaking van de geselecteerde pioniersscholen was dan weer enigszins teleurstellend, maar goed, die lijst kon pas gepubliceerd worden ná de goedkeuring van het BVR in kwestie, dat nu bij de Raad van State lag voor advies, dus iets voor “een van de volgende weken”;
  • voor de amendementen (cf. document 844 (2025-2026) nr.4) over de inductieregeling (lees: eigenlijk een verlenging van een al bestaande situatie, maar nu met een (tijdelijke) nóg vrijere aanwendingsmogelijkheid van de bewuste uren) was er wel begrip, maar het ging om een wel héél complexe regeling qua toepassing in de praktijk, zoals Stephanie D’Hose en Jan Laeremans terecht opmerkten; anderzijds verwees minister Demir in haar repliek opnieuw naar het hangende lerarenloopbaanpact, waar het inductiethema ook voorwerp van overleg was, maar hoever stond het eigenlijk met dat pact…?;
  • tussendoor deelde Koen Daniëls, voor wie dit blijkbaar het 17de genummerde onderwijsdecreet in zijn carrière was (nwvr: het eerste genummerde onderwijsdecreet dat ikzelf bewust meegemaakt heb, droeg het nummer XIV, maar dat terzijde), een aantal boeiende, soms persoonlijke bespiegelingen, zoals rond de zwangerschapsregeling voor leraressen in het kleuteronderwijs, over een examenvraag in de cursus ontwikkelingspsychologie naar de belangrijkste ontwikkelingsperiode in het leven van een kind (nwvr: het juiste antwoord is niet de puberteit!), over niet-stigmatiserende remediëring over de middag in een Sint-Niklase school, gekoppeld aan zijn eigen soortgelijke ervaring met Immanuel Kant in “2de kan.”; zo hoorde én leerde je ten minste nog eens wat;
  • overigens ook Mercina Claesen had nog een kennisrijke uitsmijter in petto die ik niet kende, ik geef het toe: de mythologie van ene Procrustes, een naam die wel niet zo makkelijk bekte en een vervaarlijk sujet, zo bleek, maar het was het thema van het leerlingenvervoer of all things dat Claesen op het pad van Procrustes gebracht had; de parlementaire verbeelding kent waarlijk geen grenzen;
  • maar er was ook nog Line De Witte die de minister herinnerde aan het concept “klasgrootte in het kleuteronderwijs”, zoals dat aan bod gekomen was in de plenaire vergadering met een actuele vraag over het IELS-onderzoek; maar nu ging de minister er niet op in.

De stemmingen vertoonden een gelijkaardig beeld aan die over het ontwerp van onderwijsdecreet XXXV vorig jaar: oppositieleden stemden vaak mee met de meerderheid, soms was er een onthouding of een tegenstem. Een divers beeld dus. Maar de stemming over het geheel van (de al of niet geamendeerde) artikelen resulteerde in een stem “vóór” van de hele meerderheid en een onthouding van de oppositie.

Ten slotte verwijs ik nog graag naar de video-opname [vanaf 15:00] van de commissievergadering.

Reageren kan bij Wilfried Van Rompaey wilfried.vanrompaey@katholiekonderwijs.vlaanderen.

OVER DEZE BLOG

Deze blog is niet bedoeld als formeel standpunt van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, evenmin als een puur verslag, maar wel als een niet-neutraal, persoonlijk commentaar op vooral ook politieke aspecten van de parlementaire onderwijsactiviteiten, zowel in de Commissie Onderwijs en de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement als uitzonderlijk ook in een andere vakcommissie die occasioneel relevant kan zijn voor het beleidsdomein Onderwijs.

×
Kijkt als...
Niveau
Regio
Kan ik je helpen?