In de bespreking passeerden de volgende relevante aspecten de revue:- voor de (eventuele) uitbreiding van de Vlaamse toetsen met een toets Frans was het alleszins nog wachten op de evaluatie volgend schooljaar, maar met zo’n uitbreiding was het toch opletten, gelet op de vele “werven” nu en de volgende jaren in het onderwijs (cf. Loes Vandromme); intussen waren er wel de OVSG-toetsen en de IDP;
- de resultaten op de starttoets Frans voor de lerarenopleidingen lager onderwijs waren niet goed, maar daar plande de minister een bijsturing, conform haar conceptnota van 6 maart 2026;
- voor Engels leken de onderwijsresultaten wel goed te zijn, maar de minister wachtte ook op PISA, waar voor het eerst ook Engels getoetst was (in 2027 zouden die resultaten gepubliceerd worden);
- er was een probleem met de bekwaamheidsbewijzen van leraren in talenvakken (Nederlands, Frans, Engels): met name te vaak, een zgn. ander of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs;
- de minister verwachtte heil van de nieuwe minimumdoelen Frans in het lager onderwijs;
- voor de laatste vraag van Goeman verwees de minister weliswaar naar de bestaande CLIL-mogelijkheden, maar mij leek de bestaande praktijk daar vooral zich in het Engels af te spelen, en veel minder in het Frans of Duits;
- het inzetten van moedertaalsprekers Frans in Vlaanderen, incl. Brussel (en ook omgekeerd, moedertaalsprekers Nederlands in Wallonië), was een interessante piste, maar op dat stuk waren er zeker nog bepaalde drempels (cf. Loes Vandromme en Hannelore Goeman);
- tot slot kon ik enig begrip opbrengen voor de klassieke vaststelling van interveniënt Griet Vanryckegem over onvoldoende Nederlandse grammatica (nwvr: bedoeld is dan meestal “traditionele zinsontleding”) geleerd te hebben in de lagere school, waardoor de leraren Frans in het eerste jaar secundair onderwijs die grammatica dan moeten aanleren in het vak Frans; mij lijkt die vaststelling eerder te maken hebben met de klassieke manier waarop Frans al jaren in ons onderwijs onderwezen wordt (nwvr: vakdidactiek dus, in tegenstelling tot bv. de vakdidactiek bij Engels), dan wel met een echte noodzaak van dat soort grammaticale kennis om Frans te leren, maar goed, zulke kennis kan inderdaad handig zijn en zelf heb ik zeker niets tegen expliciet grammaticaonderwijs, dat overigens over veel meer kan gaan dan traditionele zinsontleding, maar wel op voorwaarde van geschiktheid voor die specifieke doelen voor die specifieke doelgroep(en) van leerlingen op dat specifieke moment in hun leertraject.