15 januari 2026 – Nieuwe infrastructuurnormen en pedagogische vrijheid

Ook dit thema was te verbinden met een regeringsbeslissing op de ministerraad van 19 december 2025. De twee vragenstellers Loes Vandromme en Gianna Werbrouck redeneerden voor hun vragen, de ene wat korter, de andere wat langer, langs dezelfde lijnen en toonden daarmee aan dat de vertaling van de nieuwe beleidslijn van minister Demir voor zgn. “klassieke schoolgebouwen” naar een aangepast voorontwerp van BVR zeker nog niet definitief was. En zulks nog los van een wellicht nog belangrijkere vraag of de minister hiermee niet de grenzen van de vrijheid van onderwijs (vrijheid van inrichting) overschreed. Maar dat laatste was in deze fase voer voor de Raad van State en op het moment dat ik deze regels typte verstreek zo ongeveer de klassieke adviestermijn van dertig dagen. We moesten daarop nog wachten, maar wat antwoordde minister Demir in de Onderwijscommissie?

Niet onverwacht schetste die eerst de achtergrond van de zaak, incl. de afwijkingsmogelijkheid, zoals die ook letterlijk te lezen stond in de documenten van de Vlaamse regering. Het argument van de minister waarmee ze vervolgens wilde onderbouwen dat ze de vrijheid van scholen om eigen pedagogische keuzes inzake infrastructuur te maken wél respecteerde, kwam voor mij niet onverwacht, maar was opnieuw een schoolvoorbeeld van het inperken van de onderwijsvrijheid. En zeggen dat de voorbije decennia, zeg maar vanaf het Schoolpact van 1958, nét leerden dat vrijheid van onderwijs een puur theoretische mogelijkheid bleef, zolang daar geen werkbare subsidiëring door de overheid tegenover stond. Die jarenlange geschiedenis heeft inderdaad getoond dat echte vrijheid van onderwijs maar mogelijk was met het gestaag verkleinen van de kloof tussen de financiering van het eigen rijks/Gemeenschapsonderwijs en de subsidiëring van het gesubsidieerd vrij en officieel onderwijs. Daaraan hebben diverse Onderwijsministers zinvol bijgedragen, en wat de (alsmaar duurdere) scholenbouw betrof, was de 30 procent resp. 40 procent zelf te dragen kosten sowieso al een harde noot genoeg om te kraken. En nu zou die subsidiëring de andere kant opgestuurd worden door ze restrictiever te maken…

Ja, er was in een aantal zaken voorzien: lokalen die met verplaatsbare wanden flexibel werkten, bepaalde bestaande projecten die buiten de nieuwe regeling zouden vallen (zoals DBFM en buitengewoon onderwijs), een overgangsperiode, … dat klopte, maar ook daarop kwamen vanuit de twee coalitiepartners en de Open Vld pertinente vragen over concrete toepasbaarheid van de voorliggende regeling, over zgn. promotiebouw, een te korte overgangsperiode, …waar de minister en haar partij zich iets te makkelijk van afmaakten, leek me.

Conclusie: het advies van de Raad van State afwachten, maar nadien ook de verdere werkbaarheid van de regeling nagaan door mensen die bouwdossiers van nabij kennen.

Reageren kan bij Wilfried Van Rompaey: wilfried.vanrompaey@katholiekonderwijs.vlaanderen

OVER DEZE BLOG

Deze blog is niet bedoeld als formeel standpunt van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, evenmin als een puur verslag, maar wel als een niet-neutraal, persoonlijk commentaar op vooral ook politieke aspecten van de parlementaire onderwijsactiviteiten, zowel in de Commissie Onderwijs en de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement als uitzonderlijk ook in een andere vakcommissie die occasioneel relevant kan zijn voor het beleidsdomein Onderwijs.

×
Kijkt als...
Niveau
Regio
Kan ik je helpen?