In deze les duiken je leerlingen in een bijzonder onderzoek. Onlangs werden enkele leeftijdsgenoten bevraagd over wat ze van het vak Nederlands vinden. De resultaten zullen hen misschien verrassen of komen hen net herkenbaar voor, maar zijn ze ook betrouwbaar? Nadat ze het onderzoek kritisch tegen het licht gehouden hebben, mogen ze zelf aanbevelingen schrijven voor het vak Nederlands, zodat ook jij als leraar iets van je leerlingen kan opsteken.
Als teaser voor deze les kan je verschillende adjectieven in een woordenwolk laten zien. Die mogen de leerlingen doornemen waarna ze proberen te achterhalen waarop die adjectieven betrekking hebben.
Na enige tijd kan je verklappen dat deze eigenschappen gelden voor een specifiek vak, met name Nederlands. Rozelien Wouters heeft voor haar masterscriptie onderzocht wat leerlingen uit het vijfde jaar secundair onderwijs vinden van dit vak. Dat is geen eenvoudige onderzoeksvraag, want een onderzoeker wil natuurlijk zo betrouwbaar mogelijke resultaten en geen vooroordelen. Hoe zou Wouters ervoor kunnen zorgen dat leerlingen zo eerlijk mogelijk antwoorden?
Hebben je leerlingen daar enkele ideeën over, dan kan je hen vervolgens zelf de resultaten laten voorspellen. Welke eigenschappen passen volgens hen bij het vak Nederlands en welke helemaal niet? Je kan hen per twee laten discussiëren alvorens ze individueel een rapport van het vak opstellen. Bij elk van de voorgestelde onderdelen mogen ze een cijfer op tien noteren.
Om te achterhalen of ze het bij het rechte eind hadden, mogen de leerlingen de onderstaande tekst met de opmerkelijkste resultaten van Wouters’ onderzoek doornemen. Tijdens het lezen maken ze aantekeningen. In de kantlijn noteren ze in het groen wat ze al wisten of konden vermoeden op basis van hun eigen lessen Nederlands. In het rood schrijven ze op wat hen verrast.
Wat vinden leerlingen van het vak Nederlands in het secundair onderwijs?
In haar masterscriptie voor de opleiding Taal- en Letterkunde (Faculteit Letteren KU Leuven) heeft Rozelien Wouters onderzocht wat leerlingen van het vijfde jaar secundair onderwijs vinden van het vak Nederlands dat ze aangeboden krijgen. In totaal vulden 237 leerlingen (gespreid over talenrichtingen en andere richtingen) de online survey in die ze hiervoor ontwikkelde en verspreidde. De survey bevatte zowel open vragen als vragen op basis van uitspraken met schalen. Daarnaast voerde Wouters focusgroepgesprekken met groepjes van telkens vier leerlingen om dieper op de antwoorden in te gaan.
De resultaten zijn gemengd. De overgrote meerderheid van de respondenten (rond 90%) ervaart het vak Nederlands als “nuttig”. De leerlingen hebben sterk het gevoel dat ze in het vak Nederlands dingen leren die hen voorbereiden op het hoger onderwijs (zoals teksten samenvatten, presenteren, verwerven van academische woordenschat). In mindere mate geldt die nutswaarde voor het leren van dingen die belangrijk zijn in het dagelijks leven of in andere vakken van de secundaire school. De leerlingen vinden het nochtans erg belangrijk dat het vak Nederlands hen degelijk voorbereidt op het uitvoeren van taaltaken in het echte leven.
Meer specifiek vindt de grote meerderheid van de leerlingen dat er in het vak Nederlands voldoende aandacht aan schrijfvaardigheid wordt besteed. Toch valt op dat leerlingen meer aandacht vragen voor generatieve AI en voor creatief schrijven. Heel wat respondenten vragen ook nog meer aandacht voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van informatie in teksten.
Voor de mondelinge vaardigheden liggen de tevredenheidsscores lager: een vijfde van de leerlingen vindt niet dat er voldoende aandacht wordt besteed aan het leren voeren van gesprekken of het leren spreken. Dat resultaat trekt zich door naar de literatuur: de overgrote meerderheid van de leerlingen vindt weliswaar dat ze in de lessen Nederlands over literatuur leren en literaire teksten leren analyseren, maar de scores zijn lager als het gaat om het samen discussiëren over literaire teksten.
In tegenstelling tot de zeer hoge scores rond de nutswaarde van het vak Nederlands, vindt de helft van de leerlingen het vak (eerder of helemaal) niet interessant, noch motiverend. Opvallend lage scores worden opgetekend als (a) aan de leerlingen wordt gevraagd of er achter het vak Nederlands een echte wetenschap zit en (b) die taalwetenschap voldoende aan bod komt in de lessen Nederlands. Slechts een vijfde associeert het vak Nederlands met een wetenschap. Leerlingen missen dan ook het wetenschappelijke aspect van de taal en benadrukken dat meer aandacht voor interessante inzichten uit de taalwetenschap het vak interessanter kan maken. Rond 60% van de leerlingen gaat bijvoorbeeld niet akkoord met de stelling dat ze in het vak Nederlands leren hoe kinderen en volwassenen een taal verwerven, en dat ze in het vak Nederlands over taalpolitiek leren. De meerderheid van de respondenten vindt niet dat er voldoende aandacht gaat naar het leren over andere talen en culturen tijdens het vak Nederlands.
Op de resultaten heeft de onderwijsvorm een zekere invloed. Leerlingen uit de doorstroomrichting laten vrij systematisch hogere tevredenheidsscores optekenen dan leerlingen uit de dubbele finaliteit. Respondenten die een studierichting met een sterke talencomponent volgen, geven hogere tevredenheidsscores dan de andere respondenten, meisjes hogere scores dan jongens. De variabele ‘moedertaal’ heeft slechts op een beperkt aantal stellingen een invloed: zo vinden leerlingen die thuis niet in het Nederlands zijn opgevoed, het vak Nederlands moeilijker dan degenen die Nederlands als moedertaal hebben verworven.
Bron:
Wouters, R. (2026). De toekomst van het vak Nederlands. Hoe staan leerlingen uit het vijfde middelbaar anno 2026 tegenover het onderwijs Nederlands dat ze op dit moment aangeboden krijgen? Masterscriptie Taal- & Letterkunde, Faculteit Letteren, KU Leuven.
Na het lezen geef je de leerlingen best wat extra tijd om hun aantekeningen te vervolledigen, waarna ze die mogen delen met hun buur en vervolgens met de klasgenoten.
Met behulp van de resultaten probeert een onderzoeker, zoals Rozelien Wouters, vervolgens conclusies te trekken. Je zou de leerlingen dan ook enkele mogelijkheden kunnen voorleggen die ze eerst met de bron aftoetsen en waarover ze ook hun eigen mening mogen geven.
Je leerlingen hebben in de tekst beslist opgemerkt dat jongeren in de lessen Nederlands meer aandacht vragen voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van bronnen, waardoor je deze bron kan aangrijpen om hier alvast werk van te maken.
Zo kan je de leerlingen erop wijzen dat ze dagelijks heel wat info krijgen die jammer genoeg niet altijd correct is. Soms probeert iemand hen te misleiden. Welke aspecten helpen hen om te bepalen of informatie betrouwbaar is?
Deze antwoorden mag je verzamelen waarna je kan toevoegen dat een bron doorgaans als betrouwbaar wordt bestempeld als die de CRAAP-test kan doorstaan. CRAAP is uiteraard een letterwoord en elke letter staat voor een eigenschap of criterium waaraan een betrouwbare bron zou moeten voldoen.
CRAAP-test
“CRAAP betekent dat je nagaat of een bron actueel (currency) en relevant (relevance) is, van een deskundige of gezaghebbende auteur afkomstig is (authority), juiste en nauwkeurige informatie bevat (accuracy) en een duidelijk of herkenbaar doel heeft (purpose).”
Per item mogen de leerlingen nagaan of dit ook voor de tekst over het Nederlands geldt, waarbij ze vooral bewijslast proberen te verzamelen. Mogelijke antwoorden hier kunnen zijn dat de tekst slechts één bron aanhaalt, dat die bron 'slechts' een masterscriptie is, dat de sample size van het onderzoek relatief beperkt is en dat de tekst niet veel informatie geeft over de gebruikte methodologie van Rozelien Wouters.
Lukte dit, dan kan je hen ook het volgende dilemma voorleggen. Als journalisten ontvangen ze de resultaten van Rozelien Wouters’ onderzoek. Straks is er een redactievergadering waarin deze bron en de resultaten besproken zullen worden: zijn de data betrouwbaar genoeg om er een artikel aan te wijden, kunnen de resultaten veralgemeend worden, zouden de meeste Vlaamse jongeren er zo over denken, ...? Ter voorbereiding noteren ze kort hun bevindingen.
Aansluitend kan je een drietal minuten voorzien waarin de leerlingen een redactievergadering houden. In groepjes van vier moeten ze uiteindelijk één van drie beslissingen nemen: het artikel publiceren, publiceren met extra onderzoek of niet publiceren. Eén leerling is hoofdredacteur en moet na afloop in maximaal 30 seconden het besluit van de redactie verdedigen tegenover de klas.
Op basis van haar onderzoeksresultaten heeft Rozelien Wouters tot slot aanbevelingen voor de leraren Nederlands geformuleerd. Deze aanbevelingen kan je als leraar hier nog niet onthullen. Je kan je leerlingen immers uitdagen en hen vragen om zelf vijf aanbevelingen vanuit hun verwachtingen of ervaringen van de vorige jaren te schrijven.
De aanbevelingen starten best met een heel kernachtige zin, die ze vervolgens toelichten. In hun tips noteren ze wat er volgens hen voor zou zorgen dat Nederlands dit schooljaar heel hoog scoort en wat ze heel graag zouden oefenen en willen leren binnen de lessen Nederlands.


