21 januari 2021 – Ontwerp van decreet eindtermen 2de en 3de graad so: een commentaar

Er was een heel lange weg afgelegd, — de bevoegdheid in kwestie impliceert dan ook een heel complex dossier —, een week eerder had minister Weyts de initiële, parlementaire toelichting voor zijn rekening genomen en dus was het nu aan de onderwijscommissarissen voor de bespreking. Procedureel sprak voorzitter Karolien Grosemans aan het begin van de vergadering aldus af: van groot naar klein (N.B. Niet de gestalte van de betrokken personen, maar wel de getalsterkte van hun fracties) zouden de fractievertegenwoordigers hun beschouwingen kunnen presenteren en hun vragen voor de minister oplijsten; nadien zou er een tweede ronde volgen van bijkomende tussenkomsten; en dan zou de minister op 28 januari antwoorden op de vragen, waarna de stemming in de Onderwijscommissie zou plaatsvinden. De plenaire behandeling is dan voor nog later.

Algemeen was ik weinig verrast door de diverse tussenkomsten en toch vond ik het boeiend, vooral door enkele uitspraken van oppositieleden, maar ook door accenten bij leden van de meerderheid. En uiteraard houd ik ook zelf in het achterhoofd wat ik eerder over de toelichting van minister Weyts op 14 januari schreef, want ook die bedenkingen bleven onverkort geldig. Zonder mijn verwijzingen toen naar diverse eerdere passages in dit eindtermenverhaal te vergeten trouwens. Als tekststructuur zal ik nu heel eenvoudig de chronologische volgorde van de sprekers hanteren en daarbij telkens enkele, volgens mij, cruciale elementen vermelden. Niet alles uiteraard, want soms werden er (weer) vele woorden gebruikt, incl. heel wat herhaling, maar het was toch goed om duidelijkheid te hebben over waar precies welke fractie stond. Voor de integrale vergadering verwijs ik natuurlijk graag naar de video-uitzending op de website van het Vlaams Parlement.

Koen Daniëls

Hij beet de spits af. In het eerste deel van zijn betoog kwamen eigenlijk al zijn vaststellingen en bekommernissen van tijdens de hoorzitting met de onderwijsverstrekkers op 29 oktober 2020 terug. Met dezelfde harde taal over “de opruiende pamfletten van één koepel”, “een populisme dat in deze commissie nog nooit gebruikt was”, “terwijl zij zelf aan tafel zaten”, wat hij allemaal, naar eigen zeggen, betreurde. Iets zakelijker van toon opnieuw dan over het belang van eindtermen als minimumdoelen (door de overheid), want zo werd het voor de leraren duidelijk dat al de rest tot hun vrijheid behoorde. Zoals minister Weyts een week eerder, prees ook Daniëls de recentere heel gerichte, bijna ‘chirurgische’ bijsturingen door de Vlaamse regering (N.B. Hij gebruikte dat woord eigenlijk in een betekenis die de Engelse tegenhanger ervan, surgical, onder andere heeft, zoals bv. in a surgical strike, terwijl ‘mijn’ Dikke van Dale die betekenis niet bevat, maar we verstaan elkaar, nietwaar.). Die bijsturingen zouden meer onderwijstijd vrijmaken en Daniëls was ook blij met de geplande praktijkcommissie, waarover zijn enige vraag aan minister Weyts ging: quid met de timing van de samenstelling daarvan? Ten slotte was Daniëls toch niet ongevoelig voor nog diverse andere kritieken vanuit het werkveld, die hem en anderen bereikt hadden. Men was in de meerderheid nog aan het kijken om ook daarvoor ‘chirurgische’ ingrepen te doen, eventueel via amendering.

Jan Laeremans

Hij dook in de geschiedenis, “toen de dieren nog spraken”. Algemeen ging hij hier en daar mee met Daniëls, maar Laeremans’, overigens heel herkenbare (onze ‘pamflettaire’ eindtermenkranten, weet je wel), lijst van kritische bedenkingen over de eindtermen was toch niet onaanzienlijk. Enerzijds stak hij zijn kritiek op “de Guimardstraat” (nefaste keuzes in het verleden) en op “de leerplannen van de koepels” (in de context van de achteruitgang van de leerprestaties) niet onder stoelen of banken, maar anderzijds had hij dan toch wel oren naar ‘onze’ kritiek op de opeenstapeling van eindtermen vanuit de verschillende ontwikkelcommissies, zonder tussenkomst van een overkoepelende ontwikkelcommissie. Het was als de sinterklaaswensen van een heel gezin zonder dat de ouders hun keuze hebben gemaakt in wat ze konden en wilden betalen en zonder duidelijk was of dat allemaal wel degelijk en verantwoord speelgoed was. Mee op basis van enkele interessante, concrete berichten in de media uit de voorbije periode concludeerde Laeremans: jaar na jaar zou het nu geleverde werk geëvalueerd en bijgestuurd moeten worden; hij verwachtte ook nog discussie over hoe de controle door de Onderwijsinspectie precies in zijn werk zou gaan (zijn vraag voor de minister); met eindtermen alleen zouden de zaken niet opgelost geraken, waarbij hij een quote van Rik Torfs gebruikte (“Eindtermen afvinken is intellectueel minderwaardig.”); zijn fractie zou zich onthouden bij de (latere) stemming.

Loes Vandromme

Zij was niet tegen eindtermen, maar haar uiteenzetting bevatte toch ook heel wat bezorgdheden. Daarvoor citeerde ze expliciet een passage uit de memorie van toelichting bij het ontwerpdecreet over de vrijheid van scholen/leraren om eigen doelen te mogen hebben (naast eindtermen die minimumdoelen (moeten) zijn; lees: dus ook onderwijstijd voor die eigen doelen). Ze verwees daarbij heel terecht naar haar tussenkomst op 3 december 2020 in de Onderwijscommissie. Er moest grondig, in de diepte geleerd kunnen worden. Tiens, waar heb ik dat nog gelezen?... Interessant vond ik haar (retorische) vraag of er niet te veel verwacht werd van eindtermen (en ze somde diverse zaken op: eindtermen als minimumdoelen én een maatstaf voor gestandaardiseerde toetsen én een evaluatiebasis voor de Onderwijsinspectie én een handvat voor lesvoorbereidingen, en voor nog zoveel meer). Er moest gezocht worden naar een evenwicht tussen vrijheid en sturing. Vandromme kon blijkbaar bepaalde bijsturingen door de Vlaamse regering (na het kritische advies van de Raad van State) wel enigszins appreciëren, zoals die praktijkcommissie, waarvan ze de rol wilde uitbreiden tot de domeinoverschrijdende studierichtingen, en andere bijsturingen. Toen ze sprak over het cruciale probleem van de haalbaarheid van de voorliggende eindtermen (met ook specifieke eindtermen en beroepskwalificaties), was ik aanvankelijk niet echt zeker van haar bottom line: die haalbaarheid was moeilijk te beoordelen want er bestond, zo zei ze, daarvoor geen gedragen methodiek, een methodiek die wel heel welkom zou zijn, met name ook voor het werk dat nog zou volgen voor het basisonderwijs. Even twijfelde ik: achtte Vandromme zo’n methodiek nu niet bestaande én niet mogelijk, of niet bestaande maar toch mogelijk en zeker welkom? Ik beluisterde de passage in de uitzending dan ook een tweede keer en houd het toch op die laatste (positieve) interpretatie. Alleszins heeft Katholiek Onderwijs Vlaanderen wel ernstig gewerkt aan een systeem van de benodigde onderwijstijd voor de voorliggende eindtermen. Dan bleek dat de bestaande onderwijstijd niet eens voldoende was voor de eindtermen, laat staan dat er daarbinnen nog ruimte vrij zou zijn voor het deel van het curriculum náást de eindtermen, waarop ook Vandromme terecht een accent gelegd had. Aan het eind uitte zij haar bezorgdheid nog op een andere manier: ze pleitte voor een zekere mildheid, een gedoogperiode ten aanzien van de scholen, wanneer deze eindtermen ingevoerd zouden worden; ze vroeg de minister daarbij te leren uit de ervaringen met de eindtermen eerste graad secundair onderwijs en vroeg nog naar de rol van de Onderwijsinspectie (cf. ook Jan Laeremans).

Johan Danen

Hij uitte zijn appreciatie voor het geleverde werk, zoals ook alle sprekers vóór hem. Na een vraag over de complexe taxonomie van Bloom haalde hij zijn eerste accent uit de vaststelling tijdens de in deze commissievergadering wel vaker vermelde hoorzitting met de onderwijsverstrekkers van 29 oktober: hoe kon het dat toen de ene actor de eindtermen haalbaar achtte en de andere actor niet en hoe kwam het dat tijdens het hele proces die haalbaarheid niet toch een stuk geobjectiveerd was? Zeg maar, de cruciale kwestie waarop ook Vandromme gewezen had. Er was toen even een technische storing, waardoor Jean-Jacques De Gucht eerst zijn tussenkomst kon doen (cf. infra). Toen Danen opnieuw op het scherm verscheen, vroeg hij vervolgens naar (een herhaling van) de belangrijkste aanpassingen in de laatste fase en naar de modaliteiten van die praktijkcommissie. Zouden de eindtermen wat hij ongezonde concurrentie tussen scholen noemde, kleiner kunnen maken? Hoe was de minister omgegaan met de diverse kritische signalen uit het onderwijsveld (cf. andere sprekers hadden het daar ook al over)? En ten slotte ging Danen nog heel punctueel, met enkele vragen, in op de burgerschapscompetenties die in sommige studierichtingen stiefmoederlijk behandeld zouden zijn en op de kwestie van kunstvakken en het kunstsecundair onderwijs (kso).

Jean-Jacques De Gucht

Hij belichtte het grote belang van deze hele eindtermenoperatie. Over de hoorzitting van 29 oktober, die hij, zoals Daniëls eerder, ten zeerste betreurde, gebruikte hij weliswaar niet meer zijn woordenschat van toen (“populisme”), maar nu heette het dat onze communicatie van toen ‘slechts’ een “aanfluiting” van het werk van eigen personeelsleden en anderen was. Het kritische advies van de Raad van State werd ook nog even vermeld, alsook opnieuw de gedane aanpassingen en de “25-weken-versus-32-weken”-berekening inzake onderwijstijd, die ook Daniëls bekritiseerd had. Vrijheid van onderwijs was voor De Gucht als liberaal “heilig”, ja zeker, maar de overheid had daarbij wel de verplichting om de kansen voor alle kinderen en jongeren te maximaliseren. Die eindtermen waren net daarvoor noodzakelijk, aldus De Gucht. En die zijn haalbaar, zei hij zonder blikken of blozen. Wel vergde dat voldoende omkadering voor de scholen, waarvoor de overheid gelijk ook moest zorgen, en op dat vlak was toch wel nog wat meer nodig (dan nu, meende ik daaruit te begrijpen).

Hannelore Goeman

Volgens haar had deze bespreking veel vroeger moeten plaatsgevonden hebben (daar had ze een punt, maar het zij zo) en moest het doel/de ambitie van deze bespreking op een metaniveau liggen: het gevoerde proces en de vraag of de eindtermen deden wat ze moesten doen (ook daar had ze een punt; stuk voor stuk de concrete eindtermen gaan bespreken had voor parlementsleden weinig zin). En zij was niet helemaal overtuigd. Maar dan gebeurde er iets heel eigenaardigs. Eerst beweerde ze dat “het (sic) KOV” fundamenteel tegen het idee van eindtermen zou zijn en bekritiseerde onze “pamfletten” ondanks ons akkoord voor de zomer van 2020. “Voor wat, hoort wat”, was ook het sp.a-adagium in Onderwijs. Ze vroeg bovendien aan de minister of hij nog meer nieuws had over onze plannen om naar het Grondwettelijk Hof te stappen. Waarna ze doodleuk net die kritische geluiden uit het onderwijsveld en uit het Vlor-advies begon op te sommen die… ook ónze kritiek zijn. Tot en met de wildgroei aan eindtermen toe bij gebrek aan vooraf afgebakende grenzen alsook de kritieken over de haalbaarheid uit het onderwijsveld (en evenmin een overkoepelende ontwikkelcommissie: weet je het nog, beste lezer, uit die “pamfletten” van ons…). Il faut le faire! Voorts schetste ze twee systeemfouten in de hele aanpak: eerst had men moeten beginnen met wat aan het eind van het secundair onderwijs bereikt moest worden (en daar dan systematisch naartoe werken vanuit het basisonderwijs); en ten tweede moesten eindtermen “slechts” op populatieniveau bereikt worden. Dat waren ook de kritieken van haar partijgenote Caroline Gennez vorige legislatuur. Eindigen deed Goeman ook met (overigens interessante) heel punctuele vragen bij concrete eindtermen (bv. historisch bewustzijn en burgerschapscompetenties; was dat wel effectief?; quid met “seksisme”?; “loverboys” moest worden vervangen door “tienerpooiers”) en andere kritieken (bv. rond de verhouding ET-SPET in tso/bso en kso).

Kim De Witte

Hij heeft steevast een overzichtelijke structuur voor zijn tussenkomsten, ook nu. Ik ben het lang niet altijd eens met hem, maar hij viel me nu echt op in positieve zin. Eén. De taxonomie van Bloom en het hele systeem waren te uitgebreid en te complex, wat te weinig ruimte gaf voor diversifiëren (cf. vrijheid van onderwijs, vrijheid van leraren). Hogere onderwijskwaliteit door hogere eindtermen was een beetje simplistisch, aldus De Witte. De pedagogie, de onderwijsmethode, die was daarvoor belangrijker. Twee. De kritische respons uit het werkveld vond hij geen detail (en of!). Hij zei ook heel duidelijk wat hij vond van Daniëls over ons vermeende populisme. Er waren heel wat negatieve signalen van leraren, en dus niet alleen van één koepel, die overigens wel een groot deel van het onderwijsveld dekt (cf. ook alweer het Vlor-advies ter zake: “het waren geen minimumdoelen”). Drie. Bepaalde vakken dreigden te verdwijnen door de te gedetailleerde eindtermen voor bepaalde andere vakken. Vier. Het zeer kritische advies van de Raad van State: dat bracht hem terug bij de eerdere vraag of Katholiek Onderwijs Vlaanderen naar het Grondwettelijk Hof zou stappen. De Witte was ervan overtuigd dat wij dat zouden doen en het ging daarbij niet louter over de “koepel” als zodanig maar ook over het brede werkveld van het katholiek onderwijs. Waarvan akte.

Tweede ronde

Toen volgde nog een wat kortere tweede ronde, waaruit ik een kleine greep doe. Eerst Koen Daniëls opnieuw. Hij herhaalde de essentiële elementen uit zijn eerste tussenkomst, tot en met onze “pamfletten” toe, die het debat geen goed gedaan hadden en niet fair waren, volgens hem. In een democratische rechtsstaat mag je dus blijkbaar geen onderbouwde kritiek geven op overheidsplannen, ook niet als het daarbij om fundamentele opties over onderwijs gaat, in tegenstelling tot de door hem zo geprezen zgn. ‘chirurgische’ bijsturingen, die “een relatief grote impact (zouden) hebben”. Terwijl nu de kritieken vanuit het onderwijsveld wél bleven komen en hij (en anderen) toch aanvoelde dat daaraan opvolging gegeven moest worden (via die praktijkcommissie en (eventuele) andere ingrepen).

Maar Daniëls voegde ook nog twee interessante kwesties toe. In de eerste ronde hadden sommige sprekers opmerkingen gemaakt over leerplannen, handboeken en lesurentabellen. Maar, zo wist Daniëls, de Onderwijscommissie was daarvoor het foute forum. Dat was namelijk een zaak van de onderwijsverstrekkers. Hier ging het alleen over eindtermen, die (alweer) zgn. minimumdoelen waren en de leraar werkte met leerplandoelen, zo ging zijn redenering voort, die ik in dit gremium de voorbije jaren al heel vaak gehoord had. Wat de Onderwijsinspectie (bij toekomstige doorlichtingen) betrof, had hij daarnaast nog deze ‘geruststelling’: de Onderwijsinspectie zou voortaan ambitieuze scholen (lees: die hun leerlingen meer dan eindtermen zouden willen laten behalen) erkennen in hun inspanningen en het zou dus voortaan gedaan zijn met het berispen van zulke scholen (“jullie vragen te veel van de leerlingen”). In het Frans zegt men: on verra.

Jan Laeremans gebruikte na zijn sinterklaasmetafoor nu een bouwmetafoor: hier ging het niet om de bouw van een gewoon huis, wat je sowieso niet doet zonder nadenken, maar van een gigantisch gebouw met vele architecten, waarbij vele zorgen leven bij de mensen die in dat gebouw moeten gaan wonen. Hij repliceerde ferm, zoals Kim De Witte vóór hem, op het discours van Daniëls over Katholiek Onderwijs Vlaanderen: “ te kort door de bocht”, zowel nu als tijdens de hoorzitting van 29 oktober. Hij pareerde overigens ook heel juist de kwestie van leerplannen, handboeken en lesurentabellen: eindtermen (van de overheid) hadden wel degelijk gevolgen voor al die andere zaken (van de koepels, scholen en leraren), een connectie die Daniëls ook al wel vaker durfde vergeten. Laeremans wilde ten slotte wel geen juridische veldslag en de zaak moest nu doorgaan, mits periodieke bijsturing de volgende jaren: een houding die zijn fractie zich zou doen onthouden bij de stemming.

Johan Danen herhaalde eigenlijk zijn vragen over zulke verdere evaluatie en bijsturingen alsook over de penibele situatie van de artistieke vakken. Maar voordien had ook nog Jo Brouns gesproken in deze tweede ronde. Na zijn appreciatie voor het geleverde werk (eindtermen waren een heel belangrijk instrument) zoomde ook hij in, zoals Vandromme en De Witte vóór hem, op de wezenlijke kwestie van de vrijheid van en het vertrouwen in scholen en leraren, die voldoende ruimte en verantwoordelijkheid voor hen impliceerde om “hun ziel in hun pedagogisch traject te kunnen leggen” (cf. ook verdiepen, verbreden, differentiëren). Brouns was bij mijn weten ook de enige die wees op de betrokkenheid en de rol van ouders in het leerproces van hun kinderen. Een ander belangrijk accent legde Brouns op de praktijkcommissie, die hij een noodzakelijke randvoorwaarde in dit hele dossier noemde (dus vóóraleer de verdere uitrol in de derde graad zou plaatsvinden) en waarover hij meerdere vragen stelde: hoe ging de minister die praktijkcommissie representatief maken, wat met de selectie van profielen voor die commissie, één of meerdere commissies, timing en terugkoppeling naar het Vlaams Parlement? Plus ten slotte ook aandacht in dat verband voor de zgn. domeinoverschrijdende studierichtingen, waarop ook Vandromme al gewezen had.

Daarmee was alles meermaals gezegd door de parlementsleden. Op 28 januari 2021 vanaf 10.00 u zouden de antwoorden van minister Weyts volgen en de stemming.

Reageren kan bij Wilfried Van Rompaey: wilfried.vanrompaey@katholiekonderwijs.vlaanderen

Verwante artikels

OVER DEZE BLOG

Deze blog is niet bedoeld als formeel standpunt van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, evenmin als een puur verslag, maar wel als een niet-neutraal, persoonlijk commentaar op vooral ook politieke aspecten van de parlementaire onderwijsactiviteiten, zowel in de Commissie Onderwijs en de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement als uitzonderlijk ook in een andere vakcommissie die occasioneel relevant kan zijn voor het beleidsdomein Onderwijs.

×
Kijkt als...
Niveau
Regio