Bouwsteen textuur

Binnen het domein beeld wordt verwacht dat leerlingen bouwsteen textuur kennen (L6). Dit betekent dat ze texturen kunnen onderscheiden, benoemen, gebruiken, weergeven en weten op welke manieren kunstenaars textuur gebruiken. Deze leerroute geeft inhoudelijke duiding rond textuur, hoe textuur ingezet wordt in de kunst en wat dit kan betekenen in de klas.

Waarover gaat het?

sla link op in klembord

Kopieer

  • Wat is textuur?
  • texturen weergeven 
  • textuur om diepte suggereren
  • textuur in de kunst
  • textuur in de klas

Wat is textuur?

sla link op in klembord

Kopieer

Textuur is de zichtbare en/of voelbare aard van het oppervlak. Textuur kun je vaak voelen met je handen, maar soms ook zien met je ogen. Het beschrijft kenmerken zoals gladheid, ruwheid, zachtheid, hardheid of structuur.

Bijvoorbeeld:

  • een steen kan ruw zijn
  • een teddybeer zacht en harig
  • een tafel glad

Woorden die je kan gebruiken om texturen te benoemen zijn onder andere:

  • geribbeld
  • ruw (MD) 
  • hard (MD)
  • hobbelig
  • gedeukt
  • puntig
  • zacht (MD)
  • glad (MD)
  • harig
  • stekelig
  • bobbelig
  • blinkend
  • ….

Texturen weergeven

sla link op in klembord

Kopieer

Stofuitdrukking

sla link op in klembord

Kopieer

Een kunstenaar zal proberen om de textuur van een voorwerp, dier, plant, de huid,.... zo 'echt' mogelijk weer te geven. Dit heet textuursuggestie of stofuitdrukking. Een schilder kan bijvoorbeeld verf zo gebruiken dat een jas er echt wollig uitziet of een appel blinkend lijkt.

Afdrukken

sla link op in klembord

Kopieer

Textuur kun je ook afdrukken. Door een materiaal tegen een ander oppervlak te drukken, te wrijven of eroverheen te rollen, wordt de structuur ervan zichtbaar. Zo kan de ruwe schors van een boom, de nerf van hout, een blad of een stuk stof een patroon achterlaten.
Ook kunstenaars gebruiken afdrukken om texturen zichtbaar te maken. Ze drukken natuurlijke materialen, voorwerpen of bewerkte oppervlakken af in verf, klei, grafiet of andere materialen. De afdruk kan een beeld op zichzelf worden, maar ook deel uitmaken van een groter werk.
Zie ook bij Subdomein: Vaardigheden en vormgevingsmiddelen: (af)drukken.
 

  • Max Ernst – frottage: hij legde papier op een gestructureerd oppervlak en wreef er met potlood of grafiet over. De textuur van het oppervlak verschijnt zo in het beeld.
  • Robert Rauschenberg – gebruikte afdrukken van bestaande beelden en materialen in zijn collages en assemblages.
  • Ana Mendieta – gebruikte afdrukken van haar lichaam en natuurlijke materialen in haar Silueta-werken.
  • M.C. Escher – gebruikte houtdruk en andere grafische technieken waarbij een textuur wordt overgebracht naar papier.

Max Ernst; The Fugitive , 1925

Texturen letterlijk gebruiken

sla link op in klembord

Kopieer

Sommige kunstenaars gebruiken materialen met een opvallende textuur letterlijk in hun werk. De textuur wordt dan niet nagemaakt of afgedrukt, maar blijft voelbaar en zichtbaar aanwezig. Een kunstenaar kan bijvoorbeeld touw, stof, hout, papier, zand, schors, metaal of andere materialen verwerken in een kunstwerk.
De eigenschappen van het materiaal – ruw, glad, zacht, hard, korrelig, glanzend … – dragen zo bij aan de uitstraling en betekenis van het werk. De keuze van het materiaal is dan zelf een onderdeel van het beeld.
Ook leerlingen kunnen experimenteren met het verzamelen, combineren en verwerken van materialen met verschillende texturen.

Textuur om diepte te suggereren

sla link op in klembord

Kopieer

In kunst en beeldende vorming kan textuur ook gebruikt worden om diepte of afstand te suggereren:

  • Duidelijke, scherpe texturen lijken dichterbij.
  • Vage, kleine of minder zichtbare texturen lijken verder weg.

Bv. Vooraan op onderstaand schilderij wordt elke kassei heel duidelijk en gedetailleerd weergegeven. Naar achteren worden de kasseien kleiner, minder scherp en minder zichtbaar. Daardoor wordt de straat ruimtelijk ervaren. Hetzelfde geldt voor de kledij van de personen vooraan en achteraan. 
Gustave Caillebotte – Paris Street; Rainy Day,1877

Het gebruik van textuur om diepte te suggereren valt onder bouwsteen ruimte.

In beeldende kunst betekent ruimte: manieren gebruiken om een plat vlak toch ruimtelijk of diep te laten lijken. Textuurperspectief is daar één techniek van. (zie infofiche bouwsteen ruimte voor meerdere voorbeelden) Omdat textuur helpt om afstand en diepte zichtbaar te maken, hoort het dus ook bij bouwsteen ruimte. Via de digitale tool wordt deze coherentie zichtbaar.

Textuur in de kunst

sla link op in klembord

Kopieer

Kunstenaars

sla link op in klembord

Kopieer

Onderstaande kunstenaars tonen in hun werk heel sterk hoe textuur en stofuitdrukking gebruikt kunnen worden. Zij maken materialen en oppervlakken zichtbaar, voelbaar en herkenbaar door hun manier van schilderen, tekenen of beeldhouwen. (link met repertorium en beschouwen)

  • Max Ernst  — onderzocht textuur via technieken zoals frottage. Hij gebruikte toevallige patronen en texturen als inspiratie voor fantasierijke beelden en surrealistische kunstwerken.
  • Vincent van Gogh — gebruikte dikke verfstreken waardoor schilderijen een ruwe, bewegende textuur krijgen.
  • Jan van Eyck — schilderde rijke stoffen zoals bont, fluweel en zijde met heel veel detail.
  • Johannes Vermeer — gebruikte licht om zachte en glanzende stoffen realistisch weer te geven.
  • Claude Monet — werkte met losse penseelstreken om sfeer en oppervlakken zichtbaar te maken.
  • Jean Dubuffet — experimenteerde met zand, aarde en dikke materialen voor sterke reliëftexturen.
  • Anselm Kiefer — verwerkt stro, lood en andere materialen in zijn schilderijen voor zware, tastbare texturen.
  • Yayoi Kusama — gebruikt herhaling van stippen en bobbelige vormen waardoor een sterke visuele textuur ontstaat.
  • Antoni Tàpies — maakte werken met ruwe oppervlakken en gemengde materialen.
  • Auguste Rodin — liet bij zijn beeldhouwwerken de oppervlakken vaak ruw, onregelmatig en zichtbaar bewerkt.
  • Barbara Hepworth — combineerde gladde en ruwe oppervlakken.
  • Henry Moore — gebruikte organische vormen met zichtbare materiaalstructuren.
  • Louise Bourgeois — zette textuur in om spanning en emotie op te roepen.
  • Niki de Saint Phalle — werkte met reliëf, mozaïek en opvallende oppervlaktes.
  • Joanna Vasconcelos - beeldhouwster: grootschalige kleurrijke installaties, vooral haar grote textiele sculpturen zetten in op textuur, ze combineert stoffen, haakwerk, franjes, kant,... woorden zoals zacht/hard, glad/ruw, fijn/grof, pluizig/vezelig,... passen bij haar werk.
  • El Anatsui - beeldhouwer uit Ghana, werkt met gerecycleerde materialen. Hij maakt textuur heel concreet: Waaruit bestaat het oppervlak en hoe zie of voelt dat?
El Anatsui - Old Man’s Cloth

Textuur in de klas

sla link op in klembord

Kopieer

Bouwsteen textuur leer je niet alleen door erover te praten of texturen te herkennen. Kinderen begrijpen textuur pas echt wanneer ze die kunnen ervaren, onderzoeken en zelf vormgeven. Daarom zijn kennis, techniek en vaardigheid onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wanneer leerlingen tekenen, stempelen, afdrukken, frottage uitvoeren of experimenteren met materialen, ontdekken ze hoe texturen ontstaan en hoe ze zichtbaar of voelbaar gemaakt kunnen worden. Via zulke beeldende handelingen leren ze verschillen herkennen tussen ruw, glad, harig, geribbeld of bobbelig, en begrijpen ze hoe kunstenaars textuur inzetten in hun werk.

Jonge kinderen (0-7j.)

sla link op in klembord

Kopieer

Voor leerlingen met een jonge ontwikkelingsleeftijd (0-2,5j.) staan de doelen die hieraan voorafgaan bij lichamelijke opvoeding en motoriek: zintuiglijke competenties-waarneming-tasten. Zet in op een variatie aan texturen bij de keuze van betekenisvol thema-materiaal, bv. thema herfst verschillende blaadjes, bolsters, eikeltjes, noten, soorten kledij,... de leraar geeft taal aan de ervaring en aansluiten kunnen de muzische doelen de kenniselementen versterken.
vb. F2: De leerling kan verschillende soorten tactiele materialen verkennen.

Wat leren leerlingen (2,5 - 7j.) rond textuur? Welke technieken/vaardigheden en vormgevingsmiddelen kan je inzetten?

  • Texturen tactiel ervaren, ontdekken, voelen, benoemen... in de omgeving en op kunstwerken.
  • Gebruiken van verschillende materialen/texturen (draad, stof, watten, knopen, jute,...)
  • Stempelen met allerlei materialen of afdrukken maken van verschillende texturen:
    • met verf op blad
    • een voorwerp in klei of deeg duwen
    • frottage (een techniek waarbij je de textuur van een oppervlak overneemt door er met potlood, wasco, krijt over te wrijven tot de textuur zichtbaar wordt)

Oudere leerlingen (7-12j.)

sla link op in klembord

Kopieer

  • Texturen weergeven: texturen suggereren: 
    • op tekenpapier hard en zacht te duwen, lijntjes en puntjes te zetten, uitwrijven, spatten,... met verschillende vormgevingsmiddelen zoals houtskool, (grafiet)potloden, (Chinese) inkt,wasco, krijtjes,...
    • met plastische materialen (klei, deeg, papiermaché,…) door te prikken, duwen, wrijven, snijden, durkken, ... met spatels, lomer, satéprikker,...
  • Werken met materialen die verschillende texturen hebben: stof, linten, aarde, gras, wol, watten, jute, draad, knopen, kant,...

Vaardigheden en  vormgevingsmiddelen

sla link op in klembord

Kopieer

×
Kijkt als...
Niveau
Regio
Kan ik je helpen?