Binnen het domein beeld wordt verwacht dat leerlingen bouwsteen textuur kennen (L6). Dit betekent dat ze texturen kunnen onderscheiden, benoemen, gebruiken, weergeven en weten op welke manieren kunstenaars textuur gebruiken. Deze leerroute geeft inhoudelijke duiding rond textuur, hoe textuur ingezet wordt in de kunst en wat dit kan betekenen in de klas.
Textuur is de zichtbare en/of voelbare aard van het oppervlak. Textuur kun je vaak voelen met je handen, maar soms ook zien met je ogen. Het beschrijft kenmerken zoals gladheid, ruwheid, zachtheid, hardheid of structuur.
Bijvoorbeeld:
Woorden die je kan gebruiken om texturen te benoemen zijn onder andere:
Een kunstenaar zal proberen om de textuur van een voorwerp, dier, plant, de huid,.... zo 'echt' mogelijk weer te geven. Dit heet textuursuggestie of stofuitdrukking. Een schilder kan bijvoorbeeld verf zo gebruiken dat een jas er echt wollig uitziet of een appel blinkend lijkt.
Textuur kun je ook afdrukken. Door een materiaal tegen een ander oppervlak te drukken, te wrijven of eroverheen te rollen, wordt de structuur ervan zichtbaar. Zo kan de ruwe schors van een boom, de nerf van hout, een blad of een stuk stof een patroon achterlaten.
Ook kunstenaars gebruiken afdrukken om texturen zichtbaar te maken. Ze drukken natuurlijke materialen, voorwerpen of bewerkte oppervlakken af in verf, klei, grafiet of andere materialen. De afdruk kan een beeld op zichzelf worden, maar ook deel uitmaken van een groter werk.
Zie ook bij Subdomein: Vaardigheden en vormgevingsmiddelen: (af)drukken.
Sommige kunstenaars gebruiken materialen met een opvallende textuur letterlijk in hun werk. De textuur wordt dan niet nagemaakt of afgedrukt, maar blijft voelbaar en zichtbaar aanwezig. Een kunstenaar kan bijvoorbeeld touw, stof, hout, papier, zand, schors, metaal of andere materialen verwerken in een kunstwerk.
De eigenschappen van het materiaal – ruw, glad, zacht, hard, korrelig, glanzend … – dragen zo bij aan de uitstraling en betekenis van het werk. De keuze van het materiaal is dan zelf een onderdeel van het beeld.
Ook leerlingen kunnen experimenteren met het verzamelen, combineren en verwerken van materialen met verschillende texturen.
In kunst en beeldende vorming kan textuur ook gebruikt worden om diepte of afstand te suggereren:
Bv. Vooraan op onderstaand schilderij wordt elke kassei heel duidelijk en gedetailleerd weergegeven. Naar achteren worden de kasseien kleiner, minder scherp en minder zichtbaar. Daardoor wordt de straat ruimtelijk ervaren. Hetzelfde geldt voor de kledij van de personen vooraan en achteraan.
Gustave Caillebotte – Paris Street; Rainy Day,1877
Het gebruik van textuur om diepte te suggereren valt onder bouwsteen ruimte.
In beeldende kunst betekent ruimte: manieren gebruiken om een plat vlak toch ruimtelijk of diep te laten lijken. Textuurperspectief is daar één techniek van. (zie infofiche bouwsteen ruimte voor meerdere voorbeelden) Omdat textuur helpt om afstand en diepte zichtbaar te maken, hoort het dus ook bij bouwsteen ruimte. Via de digitale tool wordt deze coherentie zichtbaar.
Onderstaande kunstenaars tonen in hun werk heel sterk hoe textuur en stofuitdrukking gebruikt kunnen worden. Zij maken materialen en oppervlakken zichtbaar, voelbaar en herkenbaar door hun manier van schilderen, tekenen of beeldhouwen. (link met repertorium en beschouwen)
El Anatsui - Old Man’s Cloth
Bouwsteen textuur leer je niet alleen door erover te praten of texturen te herkennen. Kinderen begrijpen textuur pas echt wanneer ze die kunnen ervaren, onderzoeken en zelf vormgeven. Daarom zijn kennis, techniek en vaardigheid onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wanneer leerlingen tekenen, stempelen, afdrukken, frottage uitvoeren of experimenteren met materialen, ontdekken ze hoe texturen ontstaan en hoe ze zichtbaar of voelbaar gemaakt kunnen worden. Via zulke beeldende handelingen leren ze verschillen herkennen tussen ruw, glad, harig, geribbeld of bobbelig, en begrijpen ze hoe kunstenaars textuur inzetten in hun werk.
Voor leerlingen met een jonge ontwikkelingsleeftijd (0-2,5j.) staan de doelen die hieraan voorafgaan bij lichamelijke opvoeding en motoriek: zintuiglijke competenties-waarneming-tasten. Zet in op een variatie aan texturen bij de keuze van betekenisvol thema-materiaal, bv. thema herfst verschillende blaadjes, bolsters, eikeltjes, noten, soorten kledij,... de leraar geeft taal aan de ervaring en aansluiten kunnen de muzische doelen de kenniselementen versterken.
vb. F2: De leerling kan verschillende soorten tactiele materialen verkennen.
Wat leren leerlingen (2,5 - 7j.) rond textuur? Welke technieken/vaardigheden en vormgevingsmiddelen kan je inzetten?



