In deze leerroute krijg je informatie over bouwsteen ruimte bij beeldende werken samen met enkele voorbeelden.
Ruimte gaat over de plaats, grootte, afstand en verhouding van vormen en voorwerpen in een beeld of in de werkelijke ruimte.
Een kunstenaar kan ruimte letterlijk innemen met een ruimtelijk werk, maar kan ook op een plat vlak de indruk van diepte en afstand wekken. Dat noemen we ruimtesuggestie.
Kunstenaars maken daarbij bewuste keuzes: Waar staat iets? Wat staat vooraan of achteraan? Van waaruit kijken we? Hoe groot lijkt iets? Hoeveel ruimte laat ik tussen vormen?
Wat een kunstenaar doet op een plat vlak (tekening of schilderij), doet een filmmaker of fotograaf binnen de media. Op een plat scherm wordt de 'ruimte' gestuurd door de bouwsteen 'Kader':
Meer info: leerroute media bouwsteen kader
Een tekening of schilderij heeft letterlijk geen diepte. Toch kan een kunstenaar ervoor zorgen dat je diepte, afstand of volume ervaart. Dat is ruimtesuggestie.
Dat kan bijvoorbeeld door:
Kunstenaars combineren deze technieken vaak om diepte te creëren op een plat vlak.
Zoals Utagawa Hiroshige – Sudden Shower over Shin-Ōhashi Bridge and Atake, 1857
Grootteverschil en afsnijding:
Overlapping en grootteperspectief (verkleining):
Stapeling:
Licht en schaduw
Platte tekening van Donald Duck.
Bij onderstaande Donald krijg je driedimensionaal effect doordat de kunstenaar schaduwen aanbracht.
Standpunt is de plaats van waaruit je naar een onderwerp kijkt.
Een kunstenaar kan iets weergeven op ooghoogte, vanuit een laag of hoog standpunt, van voren, van opzij, van boven of van onderen.
Het standpunt van waaruit je kijkt verandert wat je ziet. Vanuit een hoog standpunt (vogelperspectief) zie je bijvoorbeeld meer van de bovenkant van voorwerpen, vanuit een laag standpunt (kikkerperspectief) kijk je eerder tegen voorwerpen op.
Het standpunt beïnvloedt niet alleen wat je ziet, maar ook hoe je een beeld ervaart. Het kan dus bijdragen aan de sfeer en gevoelswaarde van een beeld.
Bijvoorbeeld:
De horizonlijn is de denkbeeldige lijn waar lucht, aarde of zee elkaar lijken te raken. In een beeld bepaalt de plaats van de horizonlijn mee hoe je de ruimte ervaart en weergeeft.
De plaats van de horizon hangt samen met het standpunt van de kijker.
Onderstaand voorbeeld heeft een lage horizonlijn, zet in op grootteverschil en lijnperspectief om het gevoel van diepte weer te geven.
Een ruimtelijk werk heeft een hoogte, breedte en diepte en kun je vanuit verschillende kanten bekijken.
Het werk vormt een massief of gesloten volume. Denk aan een beeld uit klei, een steen, een massieve sculptuur, een gestapelde constructie.
Het werk bestaat uit vormen die door de ruimte steken. Het kan uit gesloten én open elementen bestaan. Denk aan takkenconstructies, uitsteeksels, draadconstructies, open sculpturen.
Kunstenaars gebruiken ruimte op verschillende manieren. Ze kunnen diepte suggereren, spelen met het standpunt van de kijker of letterlijk ruimte innemen, doorsteken of omvatten.
Bouwsteen ruimte leer je niet alleen door erover te praten of naar te kijken. Kinderen begrijpen bouwsteen ruimte pas echt wanneer ze die kunnen onderzoeken en zelf ruimtelijk kunnen vorm geven. Daarom zijn kennis, techniek en vaardigheid onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Wanneer leerlingen bouwen, stapelen, ruimtelijke werkstukken maken, tekenen, schilderen of experimenteren met standpunten en diepte, ontdekken ze hoe ruimte kan worden opgebouwd, ervaren en weergegeven. Door actief met bouwsteen ruimte aan de slag te gaan leren ze begrippen als voorgrond, achtergrond, overlapping, afsnijding, standpunt en perspectief begrijpen en toepassen. Zo ontdekken ze hoe kunstenaars ruimte creëren in een echt ruimtelijk werk én hoe ze op een plat vlak de indruk van ruimte en diepte kunnen wekken.
Bij jonge kinderen wordt bouwsteen ruimte binnen muzische vorming nog niet als afzonderlijke kennisinhoud aangeboden. Dat betekent niet dat jonge kinderen niet ruimtelijk mogen werken. Integendeel: door te bouwen, stapelen, verbinden, boetseren en met plastische materialen te experimenteren, ervaren en onderzoeken ze ruimte en geven ze er zelf vorm aan. Ze maken ruimtelijke constructies, ervaren groot en klein, hoog en laag, binnen en buiten en ontdekken wat er gebeurt wanneer ze materialen anders plaatsen, verbinden of combineren.
- F3: De leerling verkent met ondersteuning verschillende technieken/vaardigheden om zich beeldend uit te drukken.
- JK/K2/K3: De leerlingen verkennen volgende techniek/vaardigheid: ruimtelijk construeren.
Ook binnen Wetenschap en techniek komen constructies al bij jonge kinderen aan bod. Daar ligt het accent op het onderzoeken van constructies en ontdekken hoe materialen en onderdelen samen een constructie kunnen vormen. Een bouwsel kan dus in beide disciplines aan bod komen, maar vanuit een andere invalshoek: in muvo staat het muzisch vormgeven en creëren centraal; in wetenschap en techniek het onderzoeken en begrijpen van technische constructies: Technologie-technische stystemen hanteren - constructies.
- F3: De leerling kan voorwerpen combineren door ze te stapelen, te koppelen of in elkaar te plaatsen om een constructie te vormen.
- JK: De leerlingen kunnen materialen stapelen tot een eenvoudige constructie.
Bij oudere leerlingen verwachten we dat ze:
- Ruimte suggereren op een plat vlak door te tekenen/schilderen/drukken.
- Ruimtelijk werken (3D): ruimte innemend, doostekend en omvattend vormgeven door bijvoorbeeld:
Coherentie met Wetenschap en techniek:
Ruimtelijk construeren binnen muzische vorming werd ook gekoppeld aan de inhouden van Wetenschap en techniek. In muvo staat het vormgeven en creëren centraal: leerlingen onderzoeken wat materialen en technieken beeldend mogelijk maken. In W&T onderzoeken en hanteren ze constructies vanuit een technisch perspectief. Dezelfde activiteit kan dus verschillende doelen dienen. (verplicht samen in de leerplantool)








