In deze leerroute geven we je meer uitleg over bouwsteen licht binnen het muzisch domein beeld, aan de hand van enkele voorbeelden.
Zonder licht kunnen we niets zien, is alles zwart. Licht maakt kleuren, vormen, details en contrasten zichtbaar. In het licht van de zon zitten alle kleuren van het zichtbare spectrum.
In de beeldende kunst is niet alleen wat er wordt afgebeeld belangrijk, maar ook hoe het licht valt. Kunstenaars en fotografen maken bewuste keuzes in de manier waarop ze licht gebruiken. Licht kan vormen benadrukken, ruimte suggereren, aandacht sturen en een bepaalde sfeer oproepen.
Het concept licht komt zowel binnen wetenschap en techniek als binnen muzische vorming aan bod. Ook binnen muzische vorming krijgt licht op verschillende plaatsen een betekenis: als bouwsteen binnen het domein beeld en binnen het domein media, maar ook binnen drama, bijvoorbeeld bij belichting en schaduwspel. Zo biedt het werken rond licht kansen om inzichten en ervaringen uit verschillende leergebieden en muzische domeinen met elkaar te verbinden.
Wat is het verschil?
Bv. schaduw komt bij alle vier voor:
Door deze invalshoeken met elkaar te verbinden, krijgt het concept licht meer betekenis en inhoud. Leerlingen bouwen zo een rijker begrip op van licht: ze ervaren, onderzoeken en gebruiken het in verschillende contexten.
We kunnen licht op verschillende manieren bekijken in een beeld. Zo onderscheiden we verschillende soorten licht naargelang de lichtbron, de lichtrichting, de kwaliteit en sterkte en de kleur van het licht. Samen kunnen ze de sfeer, de diepte en de emotie van een werk bepalen.
Een object dat licht uitzendt noemen we een lichtbron.
We onderscheiden natuurlijke en kunstmatige lichtbronnen. (link wetenschap en techniek)
In een beeldend werk kan de lichtbron al dan niet zichtbaar zijn.
Aan de lichte en donkere delen van een beeld kun je vaak afleiden waar het licht vandaan komt. De richting waarin het licht valt noemen we de lichtrichting.
Direct licht is licht dat rechtstreeks van de lamp op een voorwerp of oppervlak schijnt. Dit zorgt voor duidelijke, harde schaduwen en een sterke verlichting.
Indirect licht is licht dat via een omweg de ruimte verlicht, omdat het eerst weerkaatst tegen een muur of plafond. Dit zorgt voor een egale, zachte verspreiding van het licht zonder harde schaduwen.
Het licht komt van de zijkant, hierdoor ontstaat er aan de andere kant van een voorwerp een duidelijke schaduw. Zijlicht kan vormen en reliëf sterk benadrukken en vormt eigen schaduwen.
De lichtbron zit achter het object en schijnt in de richting van de kijker. De voorkant van het onderwerp blijft daardoor vaak donker. Hierdoor kan een silhouet ontstaan. Bij een silhouet zie je alleen de schaduwkant van een voorwerp. Een silhouet is een donkere, meestal egale vorm waarvan vooral de buitenomtrek zichtbaar is. De details verdwijnen grotendeels. Door een silhouet krijgt de vorm en omtrek van een onderwerp extra aandacht.
Het licht gaat met de kijker mee de afbeelding in, het is het omgekeerde van tegenlicht. Het licht valt op de voorkant van het onderwerp. De slagschaduw ligt dan achter het voorwerp. Meelicht minimaliseert de schaduw en benadrukt details.
Het licht valt laag over een oppervlak er ontstaan lange schaduwen.
Licht kan hard of zacht, fel of zwak, gericht of diffuus, warm of koud zijn. Er kan veel of weinig licht zijn. De kwaliteit en sterkte van het licht bepalen hoe duidelijk vormen, texturen en schaduwen zichtbaar zijn en hoeveel contrast er in een beeld ontstaat.
Wanneer licht op een voorwerp valt, ontstaan lichte en donkere delen. Waar het licht niet kan komen, ontstaat schaduw. Licht en schaduw werken dus samen: zonder licht is er geen schaduw.
Op gladde of glanzende oppervlakken kan het licht juist sterk worden weerkaatst en een glimlicht veroorzaken.
We onderscheiden:
Eigen schaduw – de schaduw op het voorwerp of de persoon zelf.
Slagschaduw – de schaduw die een persoon of voorwerp op een ander oppervlak werpt, bijvoorbeeld op de grond, muur of een ander voorwerp.
Gebroken schaduw - de slagschaduw is gebroken: de slagschaduw loopt over verschillende oppervlakken, bijvoorbeeld van de grond naar de muur.
Glimlicht: een glinstering, een kleine heldere lichtvlek die ontstaat door weerkaatsing op een glad of glanzend oppervlak. Kunstenaars kunnen dit effect bijvoorbeeld suggereren door een klein wit of heel licht accent toe te voegen. Zo lijkt een oppervlak glanzend, glad of nat en krijgt een vorm meer volume.
Een licht-donkercontrast ontstaat wanneer lichte en donkere delen sterk tegenover elkaar staan. Een groot verschil tussen licht en donker trekt de aandacht en kan vormen en details benadrukken.
Een kunstenaar kan met licht-donkercontrasten bijvoorbeeld:
Niet elk beeld heeft een sterk contrast. Ook zachte overgangen tussen licht en donker kunnen een belangrijk onderdeel van een beeld zijn.
Jonge kinderen leren licht en donker onderscheiden, ervaren en beleven. Ze ontdekken dit zowel in hun omgeving als in beelden. Zo kunnen ze:
Licht en schaduw hebben een sterke invloed op de sfeer van een beeld. Door te spelen met de lichtrichting, de hoeveelheid licht en de plaats en vorm van schaduwen kan een kunstenaar een bepaalde sfeer oproepen.
Zo kan:
De sfeer die licht oproept, ligt niet vast. Ook de context, kleuren, vormen en andere bouwstenen spelen mee.
In 'Mysterie en melancholie van een straat' gebruikt Giorgio de Chirico een onnatuurlijk fel, geel middaglicht dat zorgt voor een kille en onbehaaglijke sfeer. Hij hanteert bewuste tegenstrijdige lichtbronnen die de natuurwetten negeren, waardoor de toeschouwer gedesoriënteerd raakt en het gevoel van een onheilspellende droom ontstaat. De diepe, geometrische schaduwen werken hierin als een fysieke dreiging, waarbij het onschuldige meisje in het licht recht op een onbekend, loerend gevaar in het donker afrent.
Johannes Vermeer – zacht, natuurlijk zijlicht en subtiele licht-donkerovergangen
Caravaggio – sterk gericht licht en diepe schaduwen
Georges de La Tour – warm kaarslicht en sterke licht-donkercontrasten
Rembrandt van Rijn – licht-donker, focus en modellering van figuren
John Singer Sargent – fel licht, contrast en lichtreflecties
James Chapin – natuurlijk licht, lichtval en sfeer
Alfredo Ramos Martínez – helder natuurlijk licht en kleur
J.M.W. Turner – diffuus licht, atmosfeer en nevel
Claude Monet – veranderend natuurlijk licht en de invloed op kleur
Joseph Wright of Derby – kunstlicht, kaarslicht en dramatische contrasten
László Moholy-Nagy – licht als materiaal, beweging en projectie
Dan Flavin – kunstlicht als zelfstandig beeldend materiaal
James Turrell – licht, kleur, ruimte en waarneming
Olafur Eliasson – licht, kleur, reflectie en ruimtelijke ervaring
Ann Veronica Janssens – licht, mist, kleur en veranderende waarneming
Bouwsteen licht leer je niet alleen door erover te praten of licht en donker te herkennen. Kinderen begrijpen licht pas echt wanneer ze het kunnen ervaren, ermee experimenteren, mogelijkheden onderzoeken en zelf inzetten. Daarom zijn kennis, techniek en vaardigheid onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wanneer leerlingen experimenteren met lichtbronnen, lichtrichting, schaduw, lichtsterkte en kleur, ontdekken ze hoe licht een beeld of ruimte kan beïnvloeden. Ze ervaren hoe licht en donker vormen zichtbaar maken, hoe schaduwen ontstaan en veranderen en hoe de kwaliteit en richting van licht een bepaalde sfeer kunnen oproepen. Via kennis en vaardigheden leren ze licht bewust inzetten om een beeld, scène of mediaproduct vorm en betekenis te geven.
Voor jonge kinderen is het belangrijk om licht, lichtbronnen en schaduwen speels te verkennen. Voor leerlingen met een jonge ontwikkelingsleeftijd (F1 en F2) staan de doelen die hieraan voorafgaan bij lichamelijke opvoeding en motoriek: zintuiglijke competenties-waarneming: zien.
F3:De leraar creëert kansen om licht- en schaduweffecten te ontdekken en ondersteunt via gezamenlijke exploratie.
Voorbeeld(en):
Leerlingen (2,5-7j.) gaan licht en schaduw gerichter onderzoeken (experimenteren).
Je kan inzetten op volgende vaardigheden/technieken en vormgevingsmiddelen:
Beeld: tekenen en schilderen met lichte en donkere kleuren
Media:projectie: schaduwspel, spelen met verschillende lichtbronnen, lichtbak/tafel, kleurenfilters,...
De leerlingen leren gaandeweg bouwsteen licht gericht in hun beeldend werk te gebruiken via het inzetten van lichtrichting, lichtsoort en lichtbron, het toepassen en weergeven van schaduw en silhouet, het inzetten van licht/donkercontrasten en het bewust gebruiken van lichtsterkte en kleur om sfeer, diepte en expressie te creëren in hun beeldende creaties.
Je kan inzetten op volgende vaardigheden/technieken en vormgevingsmiddelen:
Beeld: tekenen, kleuren en schilderen
Media: vaardigheid: projectie en toepassen van vormgevingsmiddelen zoals spots, kleurenfilters,...









