Kijken we naar het Nederlands dat we vandaag gebruiken, dan lijkt het soms alsof velen een eigen soort Nederlands, een eigen taaltje spreken. Een dokter gebruikt medische termen, wanneer we met onze auto naar de garage gaan, horen we technische woorden en op school leggen leerkrachten vooral zaken uit. Typisch voor die uitleg zijn de schooltaalwoorden. Omdat ze zo specifiek zijn voor de schoolse context, klinken ze leerlingen niet altijd vertrouwd in de oren. Via deze lessenreeks verken je verschillende werkvormen om schooltaalwoorden en in het bijzonder instructiewerkwoorden met leerlingen in te oefenen.
Als instap kan je je leerlingen onderstaand rooster met twintig typische instructiewerkwoorden bezorgen. Geef hun de tijd om per twee te bladeren in hun werkboeken van wiskunde, wetenschappen, … Zodra ze op een werkwoord uit het rooster botsen, mogen ze het inkleuren.
Je kan de leerlingen ook vragen om tijdens een specifieke dag het rooster bij zich te houden. Wanneer de leerkrachten een specifieke term gebruikt, mogen ze die markeren en het vak erbij noteren. Slagen ze erin om een volledige lijn aan te duiden? Het best werk je hiervoor samen met de verschillende vakleerkrachten. Licht hen in over deze uitdaging voor je leerlingen zodat ze zich bewuster worden van de typische instructiewerkwoorden.
In een volgende fase oefen je samen met je leerlingen deze woorden zo veel mogelijk in zodat ze op die manier in hun geheugen verankerd worden. Je kan hiervoor kiezen uit verschillende werkvormen die kort toegelicht worden.
Materiaal
Kaartjes met termen en kaartjes met definities + vliegenmeppers
Klasindeling
Teams van vier à vijf leerlingen
Doel van het spel
De leerlingen gaan op een speelse en interactieve manier aan de slag met woordenschat die tijdens de les aan bod is gekomen.
Verloop van de opdracht
Verdeel de klas in groepjes van vier à vijf leerlingen. Voorzie voor elke groep twee soorten kaartjes: één stapel met definities waarop je aan de achterkant een vlieg plaatst en een andere met de schooltaalwoorden zelf. Geef de leerlingen een vliegenmepper. Ze moeten zo snel mogelijk paren kunnen vormen. De leerlingen kunnen dit doen door heen en weer te lopen totdat ze alle duo’s gevonden hebben.
De leerlingen staan in twee groepen klaar aan de ene kant van de ruimte. Daar liggen de kaartjes met een schooltaalwoord op. Er loopt van elke groep één leerling naar de andere kant van de ruimte en mept een willekeurige vlieg (een kaartje) dood. Als die het kaartje omdraait, kan hij lezen wat erop staat (de betekenis). De leerling neemt dit kaartje mee naar de tafel en zoekt de juiste combinatie. Hierna mag een andere leerling vertrekken naar de overkant van de ruimte met de vliegenmepper. De groep die het snelst klaar is, wint.
Variant
De klas speelt tegen elkaar. Als leraar toon je een eerste kaart en alle leerlingen lopen naar de vliegen. Ze meppen elk op eentje en draaien zelf het kaartje om. De leerling met de juiste combinatie neemt het kaartje mee en scoort een punt, de andere leerlingen leggen hun kaartje omgekeerd (met de vlieg naar boven) terug. Zo blijven de leerlingen heen en weer lopen totdat alle duo’s gevonden zijn. Wie de meeste kaarten heeft, wordt tot winnaar uitgeroepen.
Nood aan differentiatie?
In plaats van de betekenis van het woord op het kaartje te zetten, zou je ook een zin kunnen geven die hoort bij het woord. Voorbeeld: ‘Te veel wind kan een storm veroorzaken’.
Klasindeling
Klassikaal
Doel en verloop van het spel
De leerling moet een schooltaalwoord uitleggen zonder het woord zelf te zeggen. Kunnen de klasgenoten raden over welk woord het gaat? Om elke leerling hierbij te activeren zou je wisbordjes kunnen gebruiken. Zo ‘zie’ je of elke leerling aan het meedenken is.
Nood aan differentiatie?
Je kan bij de woorden ook beelden gebruiken die het woord verduidelijken. Een hulpmiddel is ook om de woorden aan het bord te zetten of te projecteren. Zo kunnen de leerlingen eventueel kiezen uit een lijst.
Materiaal
Kaarten met termen en een timer
Klasindeling
Twee à drie teams
Doel en verloop van het spel
Time’s Up is een pittig vervolg op de vorige werkvormen, want hier speelt ook de tijd een rol. In drie rondes omschrijven én raden de leerlingen in kleine teams zo veel mogelijk woorden die op verschillende manieren voorgesteld worden.
Verdeel de klas in twee of drie teams, elke groep mag voor de eerste ronde een leerling aanduiden die als eerste naar voren moet komen. Die krijgt de opdracht om een term op een kaartje zo goed mogelijk te omschrijven zodat de teamgenoten het raden binnen de 30 seconden. Lukt het, dan krijgt de groep één punt. Vervolgens zijn de andere teams aan de beurt totdat alle kaarten aan bod kwamen.
Voor een tweede ronde worden de kaarten opnieuw geschud. Die verloopt zoals de vorige, maar nu mag de verteller maar één enkel woord als tip geven en de teamgenoten mogen maar één poging wagen.
Bij de derde en laatste ronde moet het woord uitgebeeld worden. Zodra alle kaarten in deze ronde geraden zijn, tel je als leraar de punten van de teams op en ken je de winnaars.
Klasindeling
Klassikaal
Doel en verloop van het spel
Hang in de vier hoeken van de klas vier werkwoorden die ze in de les al gezien hebben. De leraar leest een situatie voor en de leerlingen lopen naar het juiste werkwoord.
Bijvoorbeeld: ‘Heb je een toets gemaakt, dan kijkt de leraar die na en geeft jou een score.’
Materiaal
Groene en rode kaarten met dezelfde schooltaalwoorden
Klasindeling
Klassikaal
Doel en verloop van het spel
Elke leerling krijg een kaartje met een (werk)woord op. De leerlingen moeten rondlopen in de klas en de leerling vinden die bij hun kaartje past en dus hetzelfde werkwoord heeft. Opgepast; de ene helft van de klas krijgt een groen kaartje, de andere helft een rood kaartje. De leerlingen met het rode kaartje mogen enkel met ja of neen antwoorden. De leerling met het groene kaartje probeert via vragen te achterhalen welk woord op het kaartje staat.” Kunnen ze zo duo’s vormen?
Materiaal
21 kaarten per duo of trio
Klasindeling
Teams van 2 à drie leerlingen
Doel en verloop van het spel
Kennen je leerlingen de instructiewerkwoorden nog niet en wil je die via deze werkvorm vooral verankeren, bied dan de poster met de schooltaalwoorden zelf ter ondersteuning aan.
Nood aan differentiatie?
Wil je meer schooltaalwoorden opnemen, dan kan je aan de kaarten extra woorden toevoegen. Uiteraard kan je het spel in de loop van het schooljaar herhalen zodat leerlingen ze op die manier blijven inoefenen.

