2 juli 2026 – Vlaamse instroomquota geneeskunde v. federale RIZIV-nummers voor afgestudeerde artsen

Exact op de dag van het artsenexamen werden deze vragen om uitleg gesteld. Het voorwerp ervan en dito probleem kenden we al wel (cf. ook media): enerzijds het capaciteitsprobleem (en kwaliteitsprobleem) voor de opleidingen en studenten, anderzijds het negatieve verschil tussen het aantal federale RIZIV-nummers en het aantal afstuderende artsen.

Minister Demir wees op de tekorten in bepaalde disciplines: huisarts, tandarts en kinderpsychiater zijn stuk voor stuk knelpuntberoepen. Dus meer studenten toelaten aan het begin van de opleiding was logisch, aldus de minister (nwvr: +10 procent ongeveer). Bij herhaling zei ze dat ze het zich niet kon voorstellen dat er finaal te weinig RIZIV-nummers beschikbaar zouden zijn, maar garanties had ze, eerlijk gezegd, niet, zoals vragensteller Van den Driessche niet naliet haar voor de voeten te werpen.

Daarbovenop kwam nog een nakende pensioneringsgolf bij de Vlaamse artsen. Sommige afgestudeerden vonden ook wel hun gading in niet-RIZIV-beroepen: genre-arbeidsgeneeskunde, -arts in allerlei instellingen en -bedrijfsarts. Capaciteitsproblemen voor de opleidingen zag de minister niet meteen en ze wees niet voor het eerst op de eenmalige extra 15 miljoen euro (vorige legislatuur) én de structurele extra 10 miljoen euro (sinds 2024). Naast de extra investeringen voor de tandartsenopleiding aan de VUB en de master Geneeskunde aan de Universiteit Hasselt. De minister wilde ook liever dat Vlaanderen haar eigen artsen opleidde in plaats van afhankelijk te zijn van buitenlandse artsen. Over dit dossier was er overleg met de federale regering en met het kabinet van minister Vandenbroucke. En het artsenexamen van die ochtend (opnieuw centraal en met pen en papier) was alleszins prima georganiseerd, zo gaf de minister nog mee.

Vragensteller Freija Van den Driessche probeerde de minister nog een tweede keer te herinneren aan de 60/40-verdeling (tussen Vlaanderen en de Franse Gemeenschap), waaraan volgens die laatste niet te tornen viel maar die finaal blijkbaar toch geland was op 56,7 procent versus 43,3 procent, én aan de (weliswaar tevergeefse) N-VA-stap naar het Grondwettelijk Hof destijds, maar de minister liet zich (uiteraard) niet uit haar lood slaan. Ook op Van den Driessches suggestie dat de Vlaamse regering een belangenconflict zou kunnen inroepen tegen het federale Koninklijk Besluit in kwestie ging minister Demir niet in.

Vragensteller Warnez was het eens met de vraag naar duidelijkheid in dezen van vragensteller Van den Driessche, zette zelfs de stap naar de communautarisering van de bevoegdheid inzake RIZIV-nummers en vroeg zich af of de huidige numerus fixus eigenlijk nog wel nodig was (nwvr: die stond op dit moment niet ter discussie, deelde minister Demir later mee). Ook vragensteller Seurs sloot zich aan bij de vraag naar duidelijkheid over de RIZIV-nummers, wilde de focus houden op de 60/40-verdeling en wees op de relevantie van het veranderende werkritme van artsen (ook deeltijds), waarmee nu in de planning nog geen rekening werd gehouden. Interveniënt Hiba Faraji, die wellicht niet wilde achterblijven in het debat omdat de naam van haar partijgenoot federaal minister Frank Vandenbroucke enkele keren gevallen was, trok het debat breder (dan de quota) open naar drie grote uitdagingen: de zorg is multidisciplinair (en er moest dus aandacht zijn voor diverse functies, niet alleen artsen), Faraji geloofde de gesignaleerde capaciteitsproblemen in de artsenopleidingen wél (hoe spoorde het gegeven van meer studenten met een omkadering die tegen haar grenzen botste?) en ze wees op de relevantie van een betere spreiding van opleidingsplaatsen en stageplekken (quota per universiteit?).

Minister Demir weidde nog even uit over het aan de gang zijnde onderzoek van de inhoudelijke vragen van het artsenexamen (wetenschappelijke vakken én het sociale en empathische gedeelte; cf. de eerdere discussie in september 2025). Het Interuniversitair Centrum voor Huisartsopleiding was bezig met te onderzoeken hoe een spreiding van stageplaatsen mogelijk was en welke incentives daartoe konden bijdragen.

Reageren kan bij Wilfried Van Rompaey: wilfried.vanrompaey@katholiekonderwijs.vlaanderen

OVER DEZE BLOG

Deze blog is niet bedoeld als formeel standpunt van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, evenmin als een puur verslag, maar wel als een niet-neutraal, persoonlijk commentaar op vooral ook politieke aspecten van de parlementaire onderwijsactiviteiten, zowel in de Commissie Onderwijs en de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement als uitzonderlijk ook in een andere vakcommissie die occasioneel relevant kan zijn voor het beleidsdomein Onderwijs.

×
Kijkt als...
Niveau
Regio
Kan ik je helpen?