1 oktober 2026 - Hoorzitting over de PISA-resultaten 2025: een bondig, persoonlijk commentaar

Deze eerste commissievergadering van het nieuwe parlementaire werkjaar ging over een hoorzitting met de wetenschappelijke medewerkers van PISA 2025 voor Vlaanderen. De in de namiddag daarop geplande commissievergadering met heel vele vragen om uitleg, incl. ook twee interpellaties net over die PISA-resultaten was intussen door de ontwikkelingen rond de Septemberverklaring geannuleerd, waardoor die snelle link tussen hoorzitting en interpellaties, jammer genoeg, kwam te vervallen.

De vergadering had uiteraard sowieso al een hoog vijgen-na-Pasen-gehalte doordat er sinds de publicatie van de PISA-resultaten op 8 september 2026 zowat alles al gezegd was over de zaak. Voor zo’n commentaarstukje als dit hier is het wel handig dat ik niet van een wit blad vertrek: ik verwijs naar de twee meest recente precedenten, 6 december 2023 (actualiteitsdebat over de vorige PISA- editie, 2022) en 11 december 2025 (vragen om uitleg over een verdiepende studie van PISA 2022). Voeg daar nog aan toe dat nu enkele zaken aan het lopen zijn, met name ook als remediëring van dalende PISA-resultaten in de loop van de tijd, die niet herhaald hoeven te worden, en je zult begrijpen, beste lezer, dat ik mijn commentaar hier redelijk kort ga houden.

Wat wil ik dan wél nog aanstippen:

  • om te beginnen de namen van de deelnemers aan de hoorzitting, bij wie vooral de nationale projectmanager de uitleg deed: Liesbet Berlamont (Nationaal Project Manager), Arthur Lermytte (wetenschappelijk medewerker), Freya Abbeel (wetenschappelijk medewerker) en Nel Tavernier (wetenschappelijk medewerker);
  • ondanks het feit dat het dus allemaal niet nieuw meer was, vond ik Berlamonts uiteenzetting wel mooi en aangenaam gepresenteerd;
  • bij de vragenronde daarentegen kregen we weer het klassieke beeld van “de vragen naar verklaringen” voor de vastgestelde resultaten, die weliswaar niet bij alle vragenstellers even prominent waren (soms wel heel erg prominent, soms minder prominent en dan toch ook aandacht voor andere vragen); allemaal heel begrijpelijk vanuit het oogpunt van de onderwijscommissarissen, die zich richten naar mogelijk (overheids)beleid ter zake, maar Liesbet Berlamont moest al meteen vanaf haar eerste antwoord de vragenstellers op dat vlak dus teleurstellen, want niet beantwoordbaar op basis van de PISA-resultaten zelf en van wat daarvan tot nog toe geanalyseerd was of kon worden; ze verwees dan soms wel naar ander bestaand onderzoek over de desbetreffende vragen of naar voorzichtig onderzoek over bijvoorbeeld de leesitems in PISA (impact van lange leesteksten, vaststellingen i.v.m. responsgedrag, …), maar allerlei vragen polsten bijvoorbeeld ook naar kenmerken van onderwijssystemen en het mogelijke verband met PISA-resultaten, en op dat stuk erkende de nationale projectmanager dat over zulke zaken heel weinig in de PISA-databestanden zat; daarvoor zouden dan linken met ander (bestaand) onderzoek gelegd moeten worden;
  • over de PISA-resultaten zelf, misschien toch nog eens zeggen dat de daling ervan, met name van 2015 tot 2025, duidelijk te denken geeft (bv. serieuze daling van toppresteerders en duidelijke stijging van laagpresteerders (onder zgn. Basisniveau 1c, 1b, 1a)), maar dat we tegelijk onszelf ook geen collectieve depressie moeten aanpraten (nwvr: naar de woorden van Hannelore Goeman; ik vond dat wel een mooi beeld), want die daling is geen exclusief Vlaams verhaal én de bekende verschillen in prestaties binnen Vlaanderen zijn blijkbaar amper geëvolueerd in de periode 2015-2025, behalve dan tussen jongens en meisjes en de kleinere kloof voor wiskunde tussen autochtone leerlingen en leerlingen met een migratieachtergrond (maar dan wel met veel minder toppresteerders); dus zeker werk aan de winkel, maar we zullen wel moeten afwachten of de al genomen maatregelen en nog volgende maatregelen over, zeg maar, tien jaar ofzo, dan wel het gewenste PISA-prestatieniveau zullen realiseren;
  • over de methodologie van PISA (nwvr: uitvoerig beschreven in de documenten, supra) viel in de commissievergadering ook wel wat te zeggen, maar ik pik er één, tot dan toe mij onbekend element uit: in Nederland (plus nog enkele andere landen waarvan ook de resultaten met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, zoals Canada, Nieuw-Zeeland, Noorwegen en de Verenigde Staten) namen te weinig scholen en te weinig leerlingen deel om aan de gestelde voorwaarden voor de steekproef te voldoen;
  • en daarnaast misschien nog een heel mooi voorstel van Koen Daniëls: waarom de toetsitems in kwestie (cf. toepassingsvaardigheid) in de genoemde omvang (nwvr: toch drie keer een uur voor de drie onderdelen en samen met nog wat andere zaken (Leren in de digitale wereld en zelfs Engels als tweede taal + vragenlijst) en pauzes blijkbaar goed voor vier uur toetstijd; mij lijken die pauzes dan wel erg kort, maar goed) ook eens niet laten beantwoorden door de parlementsleden, door leraren, door studenten lerarenopleiding…?;

Ik verwijs tot slot heel graag naar de video [vanaf 11:30] van de bespreking op de website van het Vlaams Parlement.

Reageren op dit commentaar kan bij Wilfried Van Rompaey wifried.vanrompaey@katholiekonderwijs.vlaanderen.

Verwante artikels

OVER DEZE BLOG

Deze blog is niet bedoeld als formeel standpunt van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, evenmin als een puur verslag, maar wel als een niet-neutraal, persoonlijk commentaar op vooral ook politieke aspecten van de parlementaire onderwijsactiviteiten, zowel in de Commissie Onderwijs en de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement als uitzonderlijk ook in een andere vakcommissie die occasioneel relevant kan zijn voor het beleidsdomein Onderwijs.

×
Kijkt als...
Niveau
Regio
Kan ik je helpen?