In het leerplan van de basisoptie (zowel bij de A- als de B-stroom) lees je enkele keren iets over 'het artistiek-creatief proces'.
Het artistiek-creatief proces bestaat uit een samenspel van ‘beschouwen’, ‘creëren’ en ‘reflecteren'. In het artistiek-creatief proces wordt heen en weer gegaan tussen ‘beschouwen’ en ‘creëren’. Bij het beschouwen van cultuur, in de brede betekenis van het woord, wordt vertrokken van een vraag waarop niet slechts één antwoord bestaat. Wanneer leerlingen creëren, wordt telkens teruggekoppeld naar het beschouwen. Creëren betekent ook diverse technieken uitproberen, materialen combineren. Kenmerkend voor het artistiek-creatief proces is dat creaties via trial en error worden opgebouwd. Het is een proces waarbij waarnemen, interpreteren, experimenteren en creëren elkaar afwisselen. In het artistiek-creatief proces is ook reflecteren belangrijk (koppeling met LPD 9 in de B-stroom en LPD 11+ in de A-stroom).
Bijkomende info: je vindt in het Gemeenschappelijk funderend leerplan ook een leerplandoel terug waarin de leerlingen een artistiek-creatief proces doorlopen vanuit verbeelding.
Leer leerlingen divergent en convergent denken. Laat ze via divergent denken verschillende ideeën zoeken/verkennen/bedenken/... om dan een (haalbare) keuze te maken. Tijdens het verzamelen van de ideeën hoeven de leerlingen nog niet bezig te zijn met haalbaarheid. Soms komen uit de gekste ideeën toch de leukste (haalbare) resultaten.
Dit is een gemakkelijke en snelle techniek die je kan toepassen als je iets wil veranderen aan bv. een product. Als je leerlingen iets laat ontwerpen, laat ze ook eens deze stappen doorlopen. Op die manier verzamelen de leerlingen verschillende ideeën om dan bewuster een keuze te kunnen maken.
Stel jezelf de volgende 7 vragen:
Dit is een voorbeeld waarbij leerlingen een stofontwerp voor een creatieve draagtas maken via de techniek/strategie van S.C.H.A.V.E.N.
De leerkracht vraagt aan de leerlingen wat ze op hun draagtas willen plaatsen en de leerlingen bedenken een eerste ontwerp. Een leerling vertrekt van dit ontwerp.
Substitueren: vervangen van een onderdeel van het ontwerp, door een andere structuur, vorm te voorzien ...
Combineren: bestaande zaken combineren, bijvoorbeeld twee verschillende (onderdelen van) ontwerpen tot een nieuw geheel maken.
Herschikken: het product/ontwerp een andere samenstelling geven, op zijn kop zetten, de volgorde ervan vervangen.
Aanpassen: bijvoorbeeld de vorm aanpassen.
Vergroten of Verkleinen: onderdelen van het product/ontwerp vergroten of verkleinen zodat de verhoudingen wijzigen en je een nieuw ontwerp krijgt.
Elimineren: weglaten van bepaalde onderdelen in een product/ontwerp.
Nieuw nut: een onderdeel van een ontwerp een andere functie geven, bijvoorbeeld een deel van het stofontwerp wordt de vorm van de draagtas zelf.
Het doorlopen van deze techniek/strategie geeft de leerlingen meerdere ideeën om een keuze te kunnen maken.








