Lessuggestie 'Wat teksten signaleren' (lezen, signaalwoorden)

Wist je dat achter elke goede tekst een skelet schuilt, dat niet uit botten, maar uit signaalwoorden bestaat? Deze woorden geven ons belangrijke signalen en tonen hoe een tekst is opgebouwd. In deze les gaan de leerlingen op zoek naar die signalen. Ze ontdekken waarom signaalwoorden onmisbaar zijn, onderzoeken teksten uit verschillende vakken en leren stap voor stap het skelet van een tekst herkennen. Zo groeit niet alleen hun woordenschat, maar ook hun leesbegrip.

Beginfase

sla link op in klembord

Kopieer

Doel? Interactie stimuleren en motivatie verhogen
 
Het is eigen aan de mens om te vervallen in gewoontes of ‘routines’, want die zorgen voor houvast of structuur. Misschien hebben je leerlingen wel een specifieke ochtendroutine die ze via een actieve werkvorm aan elkaar mogen verklappen. Je bezorgt als instap dan ook een kaart met negen stellingen die je kort toelicht. Een tiende en laatste stelling die past bij vroege gewoontes, mogen de leerlingen samen of in duo’s nog bedenken. Ze lopen vervolgens rond en zoeken per uitspraak iemand die hierop positief kan antwoorden.
 
Het doel van deze oefening is om leerlingen met elkaar in gesprek te laten gaan. Je probeert dan ook te vermijden dat leerlingen de afbeeldingen tonen zonder taal te gebruiken. Om hen hierbij te helpen kan je een kort gesprek modelleren.

  • Hallo, X. Mag ik je een vraag stellen? Snooze jij voor het opstaan minstens één keer?
  • Ja, dat doe ik/ Neen, dat doe ik niet.
  • Dank je wel voor je antwoord.

Nood aan differentiatie?

Bij minder taalsterke leerlingen kan je een versie voorzien waarbij de verschillende activiteiten al als vraag, zoals 'Snooze jij minstens één keer?', geformuleerd zijn. Op die manier hoeven deze leerlingen de zinnen niet meer om te vormen.

Middenfase

sla link op in klembord

Kopieer

Doel? Leesbegrip verhogen en inzicht in (de functie van) signaalwoorden verhogen

Als leraar wijs je erop dat we deze handelingen niet gelijktijdig, maar na elkaar doen. Om zaken te ordenen gebruiken we soms oplopende cijfers, waardoor je leerlingen via cijfers de uitspraken in een logische volgorde mogen plaatsen.  
 
Om iets te ordenen kunnen we cijfers, maar ook woorden gebruiken, denk maar aan eerst, daarna, verder, vervolgens, uiteindelijk, tot slot. Als leraar toon je voor hoe je deze woorden in de zinnen uit de vorige oefening kan plaatsen ... 
 
Voorbeeld: Eerst scrol ik op TikTok of Instagram. Ik snooze daarna minstens nog één keer. ... 
 
Je benadrukt best dat de woorden van tijd geen vaste plaats hebben in de zin.  Soms vind je ze net na de persoonsvorm, hier ‘snooze’, soms in het begin van de zin. Staan ze vooraan, dan verschuift het onderwerp, hier ‘ik’, naar achteren en vinden we het pas na de pv, ‘snooze’ terug.  
 
Laat je leerlingen vervolgens zelf aan de slag gaan. In duo’s schrijven ze de andere gewoontes over, waarbij ze telkens een woord van tijd toevoegen. Ze letten hierbij uiteraard op de zinsvolgorde. 
 
Misschien leerden je leerlingen al dat eerst, daarna, verder, vervolgens, uiteindelijk, tot slot tot de groep van signaalwoorden behoren. Zouden ze ook weten waarom? 

Net als signalen zelf, zoals een wekker, een rood stoplicht, een fietsbel, signaleren ze iets, waarschuwen ze ons. Ze laten ons weten dat er bijvoorbeeld een opeenvolging komt, maar ze zijn meer. Je kan ze ook vergelijken met een skelet of geraamte. Een tekst zonder signaalwoorden lijkt een beetje op een lichaam zonder skelet: alles zakt dan in elkaar. Dit zal de leerlingen beslist verrassen.  

In duo's of individueel lezen ze een tekst over ons skelet. Weten ze zo wat een skelet doet? Met een markeerstift zoeken ze de drie verschillende doelen van ons skelet.

Het skelet, jouw interne superheld 
 
We kunnen rechtop staan en ons bewegen omdat ons skelet een flexibel en sterk geraamte is. Een volwassenskelet bestaat uit 206 botten. Een baby heeft meer botten, want nog niet al zijn botten zijn volledig vergroeid. Mensen en dieren hebben een inwendig skelet. Het zit immers in ons lichaam. 
 
Het skelet houdt ten eerste ons lichaam samen en zorgt ervoor dat het niet in elkaar zakt. Stel je voor dat je geen skelet hebt, dan zak je als een hoopje in elkaar. Het skelet zorgt ten tweede voor bescherming. Denk maar aan je hart, je longen. Die liggen allemaal veilig in je ribbenkast. Je ribben zorgen ervoor dat je hart en longen niet meteen worden geraakt als je een klap op je borst krijgt. Ten derde zorgt het skelet ervoor dat je kunt bewegen. Bijna alle botten van het skelet zijn zo aan elkaar verbonden dat we ze in bepaalde richtingen kunnen bewegen. 
 
Bron: Wikikids 

Net als een skelet of geraamte zorgen signaalwoorden er onder meer voor dat een tekst geen zielig hoopje zinnen wordt. Zo worden die zinnen samengehouden, zijn ze met elkaar verbonden. Daarnet mochten de leerlingen op zoek gaan naar drie doelen van één skelet. Via welke woorden konden ze die verbanden gemakkelijk vinden? 
 
Ongetwijfeld zullen ze wijzen op de woorden ten eerste, ten tweede, ten derde die waarschuwen voor een opsomming. Als leraar voeg je hierna toe dat naast een opsomming signaalwoorden nog andere seintjes kunnen geven. Ze kunnen nog andere signalen uitzenden of andere verbanden benoemen, zoals een tegenstelling, een voorbeeld, een reden, een conclusie of een tijdsverloop.

Nood aan ondersteuning

Zijn de leerlingen nog niet voldoende vertrouwd met de verschillende soorten signaalwoorden? Dan zorg je voor een beknopt overzicht (voorbeeld 1 of voorbeeld 2), dat je kan verankeren via verschillende werkvormen, zoals een signaalwoordenmemory of -twister. Bij de twister plaats je enkele signaalwoorden op een groot blad. Als leraar lees je een verband of een signaal voor en de leerlingen moeten met hun vinger een eerste passend signaalwoord aanduiden. 
 
Bij het volgende verband gebruiken ze een volgende vinger of een tweede hand. Wie houdt het het langs vol? 
 
bijvoorbeeld – eerst – daarna – dus – immers - integendeel - maar – omdat – stel je voor -  toch - ten eerste – ten tweede – ten derde – tot slot – verder – vervolgens – want

Eindfase

sla link op in klembord

Kopieer

Doel? Onderzoekende houding stimuleren en transfer naar andere vakken zichtbaar maken
 
In de tekst rond het skelet vonden de leerlingen al de signaalwoorden ten eerste, ten tweede, ten derde terug, maar er zijn er meer. Kunnen je leerlingen met behulp van het overzicht ook de andere terugvinden? In de kantlijn links noteren ze het verband dat ze uitdrukken waardoor zo het skelet van de tekst getoond wordt.  
 
In een volgende fase nemen de leerlingen werkboeken of cursussen van andere vakken erbij. Ze ordenen het materiaal per vak op verschillende tafels. Op één tafel liggen bijvoorbeeld de werkboeken van wiskunde, op een andere die van Nederlands, techniek, natuurwetenschappen of godsdienst. Beschikken de leerlingen niet over voldoende materiaal, dan kan je vooraf via collega’s enkele cursussen of werkbladen verzamelen. 
 
De leerlingen vormen groepjes van drie en nemen plaats aan een tafel. Gedurende vijf minuten speuren ze in het materiaal naar de gevraagde signaalwoorden. Ze noteren zowel de signaalwoorden als de zinnen waarin ze voorkomen op hun onderzoeksfiche. Wanneer de tijd om is, verschuiven de groepjes naar een volgende tafel. Een timer kan helpen om de tijd zichtbaar te maken. 
 
Na afloop telt elke groep hoeveel signaalwoorden ze correct vonden. De groep die de meeste correcte vondsten verzamelde, mag zich kronen tot specialist tekstskeletten.

Bronnen en achtergrondinfo

sla link op in klembord

Kopieer

×
Kijkt als...
Niveau
Regio
Kan ik je helpen?