Lessuggestie 'Taal op maat' (interactie, lezen en schrijven)

Onderzoek toont aan dat in onze maatschappij al geruime tijd een tendens tot informalisering merkbaar is. Die uit zich ook in taalgebruik. Taalnormen vervagen, informeel taalgebruik wordt in steeds meer situaties gangbaar of aanvaard. Dat kan ertoe leiden dat leerlingen minder geneigd zijn om een tekst tot in de puntjes af te werken of slordig omgaan met de gekozen woorden.In deze lessuggestie lossen leerlingen formele en informele raadsels op en verkennen ze de ongeschreven regels van het Nederlands: wanneer mag het wat losser en wanneer poets je je taal nog even op?

Beginfase

sla link op in klembord

Kopieer

1 Begroetingsvraagstukken

sla link op in klembord

Kopieer

Doel? Voorkennis activeren
 
Ontmoeten we iemand, dan kunnen we die op verschillende manieren begroeten. We kunnen kort knikken, drie overtuigende zoenen geven, vriendelijk ‘goedemorgen’ zeggen of een aanspreking zoals ‘beste’, ‘hey’, ... gebruiken. Welke begroeting we kiezen, hangt af van de persoon tot wie we ons richten en van de situatie waarin we ons bevinden.  
 
Als instap mogen je leerlingen de volgende mogelijkheden om iemand via taal te begroeten bekijken. Wellicht komen ze hen heel bekend voor.

Hebben de leerlingen deze begroetingen kort in hun hoofd geprent, dan dekken ze de woordenwolk af. Aansluitend leg je hen de volgende raadselachtige situaties voor: weten de leerlingen nog welke begroeting het meest gepast is? Voorzie wisbordjes waarop de leerlingen hun antwoorden kunnen noteren. 
 

  1. Op de trein vergat je je gsm. In het station vraag je aan een treinbegeleider wat je nu best doet.  
  2. Je mailt naar de klantendienst van de NMBS met de vraag of jouw gsm teruggevonden werd.
  3. Te laat besef je dat je je gsm misschien op school vergat. Je stuurt via Smartschool een bericht naar het secretariaat of ze die vonden.
  4. In je boekentas vind je onderaan toch je gsm, je laat het via een sms’je weten aan een vriend.
  5. Na een lange schooldag begroet je je mama en vertel je over je gsm die even vermist was.
  6. Op weg naar het klaslokaal ontmoet je de directeur voor het eerste belsignaal.
  7. Bij de bakker schuift je favoriete leraar net voor je aan.
  8. Je gaat naar de tandarts en meldt je aan bij het onthaal.
  9. Je ontmoet je buurvrouw op straat.
  10. ... 

Nood aan differentiatie?

Wil je je leerlingen wat uitdagen, dan kan je ook afsluiters of slotformules, zoals 'Ciao', 'Met vriendelijke groeten', 'Hoogachtend', opnemen.

Middenfase

sla link op in klembord

Kopieer

2 De beleefdheidsmeter

sla link op in klembord

Kopieer

Doel? Formeel en informeel taalgebruik leren kennen en verankeren

Hoogstwaarschijnlijk zullen je leerlingen opmerken dat er per situatie soms meerdere mogelijkheden zijn. We kunnen niet elke begroetingen in alle situaties gebruiken.  

We kunnen immers een onderscheid maken tussen formele en informele begroetingen. Formele begroetingen zijn stijfjes, plechtig en heel beleefd en gebruiken we als we met een directeur, een tandarts of de klantenservice in contact komen, m.a.w. bij mensen die verder van ons staan. De informele voorbeelden zetten we in bij vrienden of familie, kortom bij personen die heel dicht bij ons staan. Deze begroetingen zijn dan ook wat losser.  
Laat leerlingen de termen vervolgens ordenen.  

Je kan hiervoor in het lokaal een soort waslijn ophangen waarna de leerlingen op kaarten de begroetingen noteren en die in een gepaste volgorde (van formeel naar informeel) ophangen.

Nood aan differentiatie?

Je kan toevoegen dat niet alleen de begroetingen in de bovenstaande situaties verschillend zijn. We spreken bepaalde personen, als een directeur, ook anders aan dan vrienden of familie. Voor sommigen gebruiken we ‘je’, ‘jij’, ‘jullie’ en voor anderen is ‘u’, ‘mevrouw’ en ‘meneer’ dan weer gepast. Kunnen de leerlingen ook deze woorden op een passende plaats aan de waslijn hangen? 

Het best voorzie je voldoende tijd om het verschil tussen formeel en informeel taalgebruik voldoende te verankeren. Als leraar kan je verschillende zinnen voorlezen, waarna de leerlingen naar de gepaste plaats van de waslijn stappen. Enkele voorbeeldzinnen zijn … 
 

  • Yo, ik ben ziek en zie wel wanneer ik weer naar school kom. 
  • Beste collega’s, we verzoeken u het afval in de speciale bakken te gooien.
  • Ewa, weet jij wanneer ik laatst mijn gsm had?
  • Geachte mevrouw Jansen, ik wil u vragen of het mogelijk is de afspraak te verplaatsen.
  • Goedemorgen, mag ik straks vroeger vertrekken?
  • … 
 
Voelen de leerlingen het verschil tussen formeel en informeel taalgebruik aan, dan kan je nog meer zinnen voorlezen. Zijn de begroetingen volgens de leerlingen gepast, dan gaan ze naar de linkerkant van het lokaal, vinden ze die ongepast, dan verplaatsen ze zich naar rechts. Enkele vrijblijvende mogelijkheden ...
 
  • Je staat oog in oog met de koning: ‘Yo, Filip’. 
  • Je verwittigt je lerares: ‘Beste mevrouw, wegens ziekte kan ik de toets wiskunde vandaag niet maken.
  • Hey directie, ik ben mijn gsm kwijtgespeeld, lol.’
  • Geachte mama, hierbij wens ik u te informeren dat ik honger heb. Hoogachtend, uw zoon.
  • Je stuurt een bericht naar je leraar Nederlands: Goedemorgen meneer, mijn goudvis ziet er verdrietig uit, ik blijf vandaag bij hem.
  • ... 
Kiezen de leerlingen voor ‘ongepast’, dan kan je hen vragen om de zin te herformuleren zodat die wel aangepast is aan de situatie. 

3 Het raadsel van de ‘goedemorgen’

sla link op in klembord

Kopieer

Doelen? Voorkennis activeren, leesbegrip toetsen en doelgericht schrijven
 
Misschien twijfelen de leerlingen bij ‘goedemorgen’. Het voelt niet echt stijfjes, maar ook niet heel los aan, waardoor het eerder neutraal klinkt, maar over dit woord valt nog meer te ontdekken… 
 
‘Goedemorgen’ is namelijk eigen aan de Vlaamse cultuur en dus typisch ‘Vlaams’. Vergelijken we met de Waalse buren, dan valt ons op dat zij niet ‘bon matin’, maar ‘bonjour’ zeggen. Dit verrast, waardoor gezocht werd naar een verklaring voor dit raadsel. Om de leerlingen uit te dagen kan je enkele opties opnemen. Wat zou volgens hen heel logisch zijn? Je kan hen in duo’s laten overleggen waarna ze tot één antwoord proberen te komen. 
 

  • Vlamingen staan vroeger op dan Walen, waardoor de ochtend voor hen belangrijker is.
  • In Vlaanderen is de indeling van een werkdag (ochtend, lunch, middag) belangrijk, dus gebruiken ze die ook in begroetingen.
  • Vlamingen vinden beleefdheid belangrijker, waardoor ze meer woorden ervoor gebruiken.
  • Vlamingen houden van duidelijke afspraken, dus benoemen ze het moment van de dag.
  • In Vlaanderen is het weer ‘s ochtends veel kouder dan ‘s middags, de begroetingen zijn daarom anders. 
Om te achterhalen of ze het bij het rechte eind hadden, wordt de tekst klassikaal doorgenomen. Intussen gaan de leerlingen op zoek naar het fragment waarin het antwoord op de bovenstaande vraag of de titel gegeven wordt. Hebben ze dit gevonden, dan mogen ze het markeren.  
 
Na het lezen geven ze aan of ze het al dan niet bij het rechte eind hadden en wat de juiste oplossing was. Om de leerlingen hierbij te ondersteunen kan je hen een voorspel-, lees- en controleer-schema aanreiken ...

Waarom Vlamingen ‘Goedemorgen’ zeggen en Walen ‘bonjour’ en niet ‘bon matin’  
In Vlaanderen word je in de ochtend begroet met ‘goedemorgen’. In Wallonië hoor je dan weer ‘bonjour’ en niet ‘bon matin’. Hoe komt het dat je in de ene taal de ochtend wél benoemt en in de andere niet?  “Dat heeft alles te maken met de manier waarop we onze dag indelen.” 
Wanneer je in Vlaanderen iemand tegenkomt, dan begroet je deze persoon al snel met een ‘goedemorgen’, een ‘goeiemiddag’ of een ‘goeieavond’.  
Wat opvalt aan deze begroetingen, is dat we in het Nederlands dus een onderscheid maken tussen de ochtend, de middag en de avond, dus de delen van de dag. Ook in het Engels en het Duits gebeurt dat. In andere talen, zoals het Frans, Italiaans, dan weer niet. Hoe je die indeling maakt, heeft vaak te maken met wie we zijn en wat we belangrijk vinden.  
Voor ons is de werkdag belangrijk. Die duurt ook heel lang, gemiddeld een achttal uren. We splitsen onze werkdag dus in delen op om die gemakkelijker door te komen. Voor de middag is een deel van de werkdag. Dan is er lunch en na de middag is er het tweede deel van onze werkdag. Dan is er tot slot nog vrije tijd in de avond.  
Al zie je nu wel dat ‘goedemorgen’ en ‘goedeavond’ minder gebruikt worden en vaker veranderen in een ‘goeiedag’. Dat komt omdat ons taalgebruik informeler of losjes wordt. Hoe meer indelingen je in de dag maakt, hoe formeler en plechtiger de begroeting klinkt. Ook de e-mail heeft onze ‘goedemorgen’ veranderd. Toen in de 19de eeuw de brieven nog meerdere keren per dag werden geleverd, was het zinvol om iemand met een goedemorgen of een goedemiddag te begroeten. Nu de post niet meer elke dag komt en we e-mails sturen die elk moment van de dag gelezen kunnen worden, is het onderscheid niet meer zo belangrijk. 
Bron: VRT Nieuws 

Volgens het artikel heeft ook de e-mail invloed gehad op het gebruik van ‘goedemorgen’ en ‘goedemiddag’. Die mails lezen we nu op elk moment van de dag, waardoor we hier wel voor andere begroetingen moesten kiezen. Weten de leerlingen welke uit de eerste woordenwolk gepaster zijn? 
 
Als verdiepende opdracht kan je de leerlingen drie verschillende, korte berichten, zoals een e-mail, een Smartschoolbericht, een sms’je, laten schrijven die aansluiten bij de situaties 2, 3 en 4 uit de inleidende opdracht. De boodschap mogen ze overnemen, maar de begroeting en de woorden worden aangepast aan de personen tot wie ze zich richten. Ze schrijven ook zo beknopt mogelijk. 
 
Voorbeelden 
E-mail 
Geachte heer/ mevrouw, deze ochtend vergat ik op de trein mijn gsm. Heeft u die gevonden? 
 
Smartschoolbericht 
Beste, ik ben mijn gsm kwijt. Is die binnengebracht op het secretariaat? 
 
Sms’je 
Yo, ik vond mijn gsm, stak nog in mijn rugzak.

Dit kan uitdagend zijn. Je kan als leraar de eerste tekst samen met de leerlingen maken. Laat hen discussiëren over wat ze precies willen opnemen. Als leraar noteer je, aangestuurd door de leerlingen, de zinnen op het bord. Op die manier ontstaat een geschreven tekst op basis van de aanbevelingen van de leerlingen. Voor de andere berichten mogen ze per twee verder werken. Gelukt? Dan mogen ze hun teksten delen met een duo dat het naleest en dat op zoek gaat naar gelijke of verschillende aansprekingen in hun versies. Per vier delen ze dan wat ze opgemerkt hebben en sturen eventueel bij waar nodig. 

Slotfase

sla link op in klembord

Kopieer

4 De geheime boodschappen van de Belgen

sla link op in klembord

Kopieer

Doelen? Leesstrategieën inoefenen en doelgericht schrijven
 
Op het vlak van begroetingen verschillen we van onze Waalse buren. Toch delen we ook heel wat gewoontes met hen. Zo zeggen Belgen vaak niet wat ze precies bedoelen. Soms betekent ‘we zullen zien’ eigenlijk ‘neen’ en een praatje over het weer is vaak meer dan zomaar een gesprek over regen of zonneschijn. Veel van die gewoontes lijken voor Belgen heel gewoon, maar voor toeristen of nieuwkomers zijn ze behoorlijk verrassend. 
In deze laatste lesfase ontdekken de leerlingen in korte tekstfragmenten hoe Belgen (soms in het geheim) communiceren. Via verschillende opdrachten kan je tegelijkertijd enkele leesstrategieën inoefenen. 
 
Voorspellend lezen 
Laat de leerlingen eerst de afbeeldingen bekijken. Welke Belgische gewoontes herkennen ze al?     
Waarover zouden de teksten kunnen gaan? 
 
Leesdoelen stellen 
In een vorige lesfase maakten de leerlingen al kennis met formeel en informeel taalgebruik. Welke  indruk van de Belgen verwachten ze: zouden de Belgen in het dagelijks leven en hun communicatie  
eerder formeel of stijfjes of veeleer informeel en losjes zijn?  
 
Grondig lezen 
Waren de verwachtingen van de leerlingen correct, hebben ze de Belgen goed ingeschat? Wat wisten  
ze al en wat leerden ze bij? 
 
Kritisch lezen 
Misschien fronsten de leerlingen weleens hun wenkbrauwen tijdens het lezen. Niet alle uitspraken zijn  namelijk correct. Eén van de stellingen is verzonnen. In groepjes mogen de leerlingen dan ook opnieuw   door de teksten gaan. Welke uitspraak klinkt minder geloofwaardig? Welke informatie klopt volgens     
hen niet? Wellicht zullen ze zo ontdekken dat de ‘Mag ik bellen’-knop niet bestaat op hun gsm en deze                 
uitspraak dus ook fake is.

Nood aan differentiatie?

Wil je samen met je leerlingen deze uitspraken nog dieper onderzoeken, dan zouden ze die ook kunnen voorleggen aan verschillende personen, zoals hun leraren, toevallige voorbijgangers, ... Voor deze opdracht verdeel je hen het best. Elk team krijgt een specifieke, Belgische doelgroep, de bekende leraren of onbekende voorbijgangers, toegewezen waarbij je rekening houdt met de spreekdurf van de leerlingenLeerlingen met wat schroom leggen de stellingen best aan vertrouwde personen voor. Via hun onderzoek proberen ze te achterhalen welke stelling de Belgen het meest typeert.  

Als afsluiter mogen de leerlingen voor toeristen die België of Vlaanderen het eerst bezoeken een survivalgids opstellen. In die gids nemen ze drie zaken op die toeristen zeker moeten doen in België en drie zaken die ze absoluut niet mogen doen. Ze verwoorden die heel beknopt waarbij ze in één zin meer uitleg geven.  
 
Zijn de leerlingen vanuit de thuiscontext eerder vertrouwd met een andere cultuur, dan mogen ze een dergelijke gids uiteraard ook voor een ander land opstellen.  
 

Bronnen en achtergrondinfo

sla link op in klembord

Kopieer

  • Waarom Vlamingen ‘Goedemorgen’ zeggen en Walen ‘bonjour’ en niet ‘bon matin’ , VRT Nieuws
  • Typisch Belgisch, Lukas Vanacker
  • Taal op school, Kris Van den Branden en Marieke Vanbuel

×
Kijkt als...
Niveau
Regio
Kan ik je helpen?