Krachtlijn 1: Historische vraagstelling ontwikkelen
  • Krachtlijn 1: Historische vraagstelling ontwikkelen

 
Het vertrekpunt van historisch denken is steeds de historische vraag. Heel wat van onze leerplandoelen in krachtlijn 3 en 4 gebruiken de historische vraag daardoor als vertrekpunt. 

Omdat we het belangrijk vinden dat leerlingen eerst goed begrijpen wat een historische vraag is werd ervoor gekozen alle leerplannen geschiedenis te laten starten met een krachtlijn rond het ontwikkelen van een historische vraagstelling. Deze doelstellingen staan niet in de officiële minimumdoelen, maar zijn een belangrijke tussenstap. Daarom staan ze in de meeste leerplannen aangeduid met een + of een K. Enkel in de tweede en derde graad in domeinoverschrijdende doorstroom werd dit opgenomen in de specifieke minimumdoelen. 

We merken als vakbegeleiders geschiedenis dat er veel verwarring bestaat over leerplandoelstellingen met een +. Dit zijn leerplandoelstellingen die gerealiseerd moeten worden tijdens de graad, het zijn geenszins extraatjes. Dit betekent dat de leerlingen van de eerste graad en de tweede en derde graad domeingebonden doorstroom en dubbele finaliteit een historische vraag moeten kunnen identificeren en situeren in het historisch referentiekader. Ook al is dit telkens hetzelfde leerplandoel, de aard en de complexiteit van de vragen neemt toe doorheen de jaren.

Om leerlingen vertrouwd te maken met de historische vraag en hen te laten oefenen deze te laten plaatsen in het historisch referentiekader is het aangewezen elke les te vertrekken vanuit een historische vraag. Sta elke les bewust stil bij de kenmerken van de historische vraag en bij het historisch referentiekader.

Op een evaluatie kan je leerlingen bijvoorbeeld een reeks vragen geven en hen laten beoordelen of een vraag wel of geen historische vraag is. Dit kan je doen op basis van een eenvoudige tabel, waarbij leerlingen kruisjes moeten zetten. 

Om gokken te vermijden kan je leerlingen vragen naar motivatie voor hun keuze, maar je kan leerlingen ook de opdracht geven om een vraag die geen historische vraag is te herschrijven tot een correcte historische vraag. De vragen die wel een historische vraag zijn kan je door de leerlingen laten situeren in het historisch referentiekader. Zeker bij leerlingen van de eerste graad is een schrijfkader hiervoor een erg goede ondersteuning. Zorg ervoor dat je dit ook oefent tijdens de lessen, we merken dat niet nog relatief weinig gebeurt. 

Het leerplandoel rond het zelf stellen van onderzoekbare historische vragen is een doel dat als dusdanig voorkomt in de leerplannen van de tweede en derde graad van de domeinoverschrijdende finaliteit, maar een keuzedoel is voor onze leerlingen van de eerste graad en voor de leerlingen uit de domeingebonden doorstroom (tweede en derde graad). De term ‘keuzedoel’ zegt wat het is, jij kiest als leraar of je dat doel wel of niet behandelt met je klas. Toch kan het zelf stellen van historische vragen erg goed zijn om interesse van leerlingen aan te wakkeren en als leraar in te spelen op interesses van leerlingen. Zorg dat je bij leerlingen uit de domeinoverschrijdende doorstroom voldoende stilstaat bij wat onderzoekbaarheid van een historische vraag betekent. 

In krachtlijn drie moeten leerlingen de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van een historische bron beoordelen. In sommige leerplannen komt hier ook representativiteit bij. Bij al deze leerplandoelen dient dit te gebeuren om een historische vraag te beantwoorden. Een bron kan bruikbaar/representatief/betrouwbaar zijn voor de ene historische vraag, maar niet bruikbaar/representatief/betrouwbaar voor een andere historische vraag.  

Je kan dit eenvoudig bevragen met een kader, waarbij je een bron geeft en enkele historische vragen. Laat leerlingen ook motiveren waarom ze een bepaalde keuze maken. Je kan hier ook meteen de link leggen naar de vierde krachtlijn, waarbij leerlingen een antwoord op een historische vraag moeten formuleren vanuit een bron. 

Voor leerlingen uit de derde graad kan je ook bronnen laten ordenen van meest naar minst bruikbare of betrouwbare bron in functie van een historische vraag. Soms is een omschrijving van een bron hiervoor voldoende. 

Bijvoorbeeld: Orden onderstaande bronnen van meest naar minst betrouwbaar om een antwoord te formuleren op volgende historische vraag: Wat gebeurde er tijdens de nacht van Lange Messen in de zomer van 1934 in Duitsland? 
Motiveer ook je keuze. 

Bron 1: Een dagboek van een vrouw. Ze was in de zomer van 1934 in Berlijn en heeft daar gezien dat leden van de SA werden vervolgd. Ze schrijft in haar dagboek dat ze verschillende geruchten over de moord heeft gehoord. 
Bron 2: Een Duitse krant. De krant schrijft op 3 juli 1934 op de voorpagina dat Hitler krachtig is opgetreden tegen een gevaar in de samenleving. Het artikel is geschreven op basis van officiële bronnen van de Duitse overheid. 
Bron 3: Een boek over het leven van Hitler. Dit boek is geschreven in 2000 door Ian Kershaw, een beroemd historicus. Hij beschrijft de moord na onderzoek van vele bronnen, zoals archieven, brieven en ooggetuigenverslagen.

In de vierde krachtlijn wordt van leerlingen verwacht historische vragen te beantwoorden vanuit historische bronnen, gebruik makend van historische redeneerwijzen. De complexiteit van de historische vragen, bronnen en historische redeneerwijzen evolueert uiteraard doorheen het secundair onderwijs. Als de historische vraag in de vorige krachtlijnen bewust gebruikt werd, is ook het realiseren van deze leerplandoelen heel wat haalbaarder voor onze leerlingen. 

×
Kijkt als...
Niveau
Regio
Kan ik je helpen?