Tot de invoering van de nieuwe minimumdoelen werkte het buitengewoon basisonderwijs met decretaal bepaalde ontwikkelingsdoelen.
Er bestaan ontwikkelingsdoelen voor:
Voor andere types werden geen afzonderlijke decretale sets ontwikkeld. Scholen maakten daarvoor onder meer gebruik van ontwikkelingsdoelen van andere types, doelen uit het gewoon basisonderwijs of gevalideerde doelenkaders.
Met de nieuwe regelgeving verschuift dit uitgangspunt. De minimumdoelen gelden als gemeenschappelijk decretale referentiekader voor het basisonderwijs. Voor leerlingen met een IAC vertrekt de school van die minimumdoelen om passende doelen voor het individueel aangepast curriculum te selecteren.
De vroegere ontwikkelingsdoelen verdwijnen daarom geleidelijk als primair referentiekader. Tijdens de overgangsperiode blijven ze wel relevant voor die disciplines en leerlingengroepen waarvoor de nieuwe minimumdoelen nog niet van toepassing zijn.
De vroegere Informatiemap voor de onderwijspraktijk van het buitengewoon onderwijs bevat achtergrondinformatie, ontwikkelingsdoelen en voorbeelden die ontwikkeld werden voor verschillende types buitengewoon onderwijs.
De map omvat onder meer:
De informatiemap en servicedocument dateert uit een vroeger regelgevend en curriculair kader. Ze kan nog historische of inhoudelijke achtergrondinformatie bieden, maar vormt geen actueel leerplan en mag na 2031 niet meer worden gebruikt als vervanging van de geldende minimumdoelen en leerplandoelen.
Scholen kunnen relevante inhoud uit vroegere servicedocumenten of doelenkaders blijven benutten als inspiratie. De doelenselectie binnen het IAC gebeurt evenwel vanuit het actuele wettelijk doelenkader de minimumdoelen vertaald in leerplandoelen in Op.stap, leerroutes voor eidereen.
Bron: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Ontwikkelingsdoelen en eindtermen – Informatiemap voor de onderwijspraktijk – Basisonderwijs. Brussel, Departement Onderwijs, 1998.
Tot de invoering van Op.stap werkten katholieke basisscholen met het leerplan Zin in leren! Zin in leven! (Zill).
Ook veel scholen voor buitengewoon basisonderwijs gebruikten Zill als ordeningskader binnen hun handelingsplanmatig werken. Om leerlingen met een zeer lage ontwikkelingsleeftijd voldoende te ondersteunen, werd Zill aangevuld met de uitbreiding 0-2,5 jaar.
Die uitbreiding beschreef ontwikkelstappen die voorafgaan aan de ontwikkelstappen vanaf 2,5 jaar.
Met Op.stap wordt deze gedachte verder uitgebouwd en structureel in het leerplan zelf ingebouwd.
Waar Zill een uitbreiding 0-2,5 kende naast het oorspronkelijke leerplan, bevat Op.stap vanaf de start verschillende routedoelensets voor uiteenlopende onderwijs- en ondersteuningsbehoeften.
De vroegere ontwikkelstappen 0-2,5 zijn daarbij niet simpelweg overgenomen. Ze vormden, samen met andere bronnen, expertise uit het buitengewoon onderwijs, wetenschappelijke inzichten en praktijkervaringen, input voor de ontwikkeling van de nieuwe P-routedoelen.
Ook voor leerlingen vanaf 2,5 jaar met specifieke onderwijs- en ondersteuningsbehoeften zijn binnen Op.stap bijkomende S-routedoelen ontwikkeld.
Zo wordt wat binnen Zill vaak schoolspecifiek moest worden aangevuld, binnen Op.stap sterker geïntegreerd in één leerplan voor alle leerlingen.
De bestaande uitbreiding 0-2,5 van Zill blijft tijdens de overgangsperiode beschikbaar voor die situaties waarin Zill nog het geldende leerplankader is.
De uitbreiding kan daarnaast bruikbaar blijven als achtergrond- en inspiratiebron.
Voor disciplines waarvoor uit Op.stap wordt geselecteerd, vormen de P-routedoelen van Op.stap het actuele leerplankader voor onderwijs- en ondersteuningsbehoeften die zich situeren binnen een ontwikkelingsleeftijd van 0 tot 2,5 jaar.