Waarschijnlijk herken je dit wel.
Je hebt net een lesthema uitgelegd. Leerlingen noteren ijverig begrippen uit hun cursus en lijken actief bezig. Maar wanneer je vraagt om in eigen woorden uit te leggen wat ze geleerd hebben, blijft het vaak stil.
Dat is niet verrassend. Een lijstje met woorden overschrijven is nog geen leren. Echte leerwinst ontstaat wanneer leerlingen verbanden leggen, begrippen begrijpen en vaktaal actief gebruiken om een fenomeen te verklaren.
Voor leraren maatschappelijke vorming biedt de werkvorm "Kernwoorden die blijven hangen" een krachtige manier om leerlingen te ondersteunen bij leerplandoelen waarin 'verklaren' als handelingswerkwoord centraal staat.
Deze werkvorm wordt uitgewerkt aan de hand van LPD 18 - LPD 20 voor de 2de en 3de graad. De werkvorm kan uiteraard in de verschillende graden bij verschillende leerplandoelen toegepast worden.
De leerlingen verklaren fenomenen of toepassingen uit het dagelijkse leven aan de hand van snelheid, kracht, hefboom, druk, zichtbaar licht, straling of elektriciteit.
Het leerplandoel vraagt meer dan het herkennen van begrippen. Leerlingen moeten de begrippen kunnen inzetten om een verschijnsel uit hun leefwereld te verklaren.
Een leerling die het woord druk kan aanwijzen in de cursus, beheerst het leerplandoel nog niet.
Een leerling die kan uitleggen waarom sneeuwschoenen voorkomen dat je wegzakt in de sneeuw, door het verband te leggen tussen kracht, oppervlakte en druk, toont wél beheersing van het leerplandoel.
Na een instructie over bijvoorbeeld elektriciteit in huis schrijven leerlingen vijf tot zeven kernwoorden op die volgens hen essentieel zijn om de leerstof te begrijpen.
Mogelijke kernwoorden:
De centrale vraag is:
Welke woorden heb ik nodig om deze leerstof zelf uit te leggen?
Leerlingen vergelijken hun keuzes.
Bespreek vragen zoals:
Hier ontstaat het echte gesprek over de leerstof. Leerlingen denken actief na over betekenis en samenhang.
Nu gaat de cursus opnieuw open.
Leerlingen controleren:
Nieuwe begrippen worden in een andere kleur toegevoegd.
Nu volgt de belangrijkste stap.
Laat leerlingen een dagelijks fenomeen verklaren met behulp van hun kernwoorden.
Voorbeeld 1: druk
Kernwoorden:
Uitleg:
Een sneeuwschoen verdeelt dezelfde kracht over een grotere oppervlakte. Daardoor wordt de druk kleiner en zak je minder snel weg in de sneeuw.
Voorbeeld 2: hefboom
Kernwoorden:
Uitleg:
Een lange moersleutel werkt gemakkelijker omdat de afstand tot het draaipunt groter wordt. Daardoor heb je minder kracht nodig.
Deze werkvorm stimuleert leerlingen om:
Precies dat vraagt het leerplan.
Het doel is niet dat leerlingen zoveel mogelijk begrippen kennen, maar dat ze deze begrippen kunnen gebruiken om de wereld rondom hen te begrijpen en te verklaren.
Model het proces regelmatig.
Denk tijdens de les hardop voor:
"Als ik moet uitleggen waarom een fiets gemakkelijker rijdt met grote wielen, welke woorden heb ik dan nodig? Ik noteer snelheid, omtrek, wiel en afstand. Met die begrippen kan ik mijn uitleg opbouwen."
Zo leren leerlingen niet alleen de vakinhoud, maar ook hoe ze vaktaal strategisch inzetten om verschijnselen uit hun leefwereld te verklaren.
Dat is precies de stap van begrippen kennen naar begrippen gebruiken waarop LPD 18 en LPD 20 inzetten.