Het leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs staat opnieuw onder druk. De plotse besparing die over onze scholen werd geworpen, hadden een desastreuze impact. Zij houden hun hart vast voor wat nu volgt.
Wie echt luistert naar scholen, busbegeleiders, leerlingen en ouders, hoort geen tijdelijk technisch probleem, maar een hardnekkige realiteit die al jaren aansleept. Een systeem dat kwetsbare kinderen en hun gezinnen te vaak in de steek laat. We doen in Vlaanderen alsof dit dossier té complex is, alsof urenlange busritten een onvermijdelijke natuurwet zijn. Dat klopt niet. Dit is een keuze.
In 2021 was er brede consensus: kinderen in het buitengewoon onderwijs waren onmenselijk lang onderweg en kwamen uitgeput aan op school. Er kwam een duidelijke norm: maximaal 90 minuten per rit. Het is pijnlijk dat we stilaan gewend raken aan iets wat we nooit normaal zouden mogen vinden. De kritiek is breed en consistent. Het Kinderrechtencommissariaat wijst op schendingen van basisrechten, ouders voeren een dagelijkse logistieke strijd en onderwijsverstrekkers pleiten voor maatwerk. Dit zijn geen meningen, dit zijn feiten: dit systeem werkt niet.
De kern van het probleem ligt dieper dan budgetten alleen. Het zit in de versnippering van bevoegdheden, het gebrek aan regie en het uitblijven van echte samenwerking tussen onderwijs en mobiliteit. Bovenal ontbreekt de fundamentele keuze voor het perspectief van het kind. Het gaat niet over planningen op papier, maar over kinderen die veel te vroeg opstaan, uren onderweg zijn en hun schooldag beginnen met vermoeidheid en overprikkeling. Over busbegeleiders die vandaag al onder spanning staan, en ouders die moeten hopen dat vandaag een betere dag wordt. Over scholen die weten dat leerlingen het eerste lesuur missen omdat ze eerst tot rust moeten komen. Als samenleving mogen we dit niet als een organisatorisch detail beschouwen; dit raakt aan onze kernwaarden.
We moeten ophouden met pleisters plakken. Dit dossier vraagt een fundamenteel andere richting, met het belang van het kind als toetssteen. Als we het leerlingenvervoer willen hertekenen, moeten we vertrekken van een helder uitgangspunt: vervoer is geen doel op zich, maar een middel om kwaliteitsvol onderwijs toegankelijk te maken voor elke leerling. Dat vraagt om beleidskeuzes die dichter aansluiten bij de realiteit op het terrein, in een context van rust en ademruimte. Die heeft de Vlaamse regering nu gecreëerd. Het nieuwe kader kan al starten op 1 september 2027.
Kwaliteit is de eerste voorwaarde. Leerlingenvervoer moet veilig, comfortabel en aangepast zijn aan de specifieke noden van leerlingen. Dat betekent investeren in degelijke voertuigen, maar evenzeer in mensen: goed opgeleide chauffeurs en begeleiders, met de juiste omkadering, statuten en waardering. Ook transparantie en communicatie naar ouders zijn cruciaal: duidelijke informatie over ritten, aanspreekpunten bij problemen en een systeem dat vertrouwen geeft.
Maatwerk moet een tweede pijler zijn. Leerlingen verschillen, en dus moeten ook de oplossingen verschillen. Dat betekent dat scholen, samen met ouders, een sterkere rol krijgen in het inschatten van vervoersnoden en het zoeken naar passende oplossingen. Duidelijke rolbepaling en voldoende ondersteuning daarbij zijn essentieel.
Daarbij moeten we resoluut kiezen voor multimodale oplossingen. Niet één vervoersmodel voor iedereen, maar een palet aan mogelijkheden, van collectief vervoer tot individuele alternatieven, afgestemd op wat voor de leerling het best werkt. Tegelijk moeten we afstappen van een te strikt principe van de dichtstbijzijnde school. Onderwijs op maat vraagt ruimte voor keuze, binnen redelijke marges.
Een derde pijler is een sterkere organisatie en coördinatie. Scholen en partnernetwerken moeten de ruimte krijgen om vervoer beter af te stemmen, zowel op lokaal als bovenlokaal niveau. Dat vraagt middelen, maar ook slimme systemen voor planning, opvolging en monitoring.
Ook andere structurele keuzes dringen zich op. Kwaliteit moet zwaarder doorwegen in aanbestedingsprocedures, en het leerlingenvervoer moet beter afgestemd worden op bredere beleidsdomeinen, zoals opvang en vrije tijd. De koppeling met inclusieve kinderopvang nabij de woonplaats van de leerling maakt duidelijk dat onderwijs, welzijn en mobiliteit hier samen verantwoordelijkheid dragen.
De uitdagingen zijn groot, maar de richting is duidelijk. Wat vandaag nodig is, is geen loutere bijsturing, maar een doordachte hertekening van het systeem. Een hertekening die vertrekt van vertrouwen in de expertise van scholen en ouders, en die inzet op samenwerking tussen onderwijs, mobiliteit en welzijn.
Zo bouwen we stap voor stap aan een leerlingenvervoer dat niet langer een bron van frustratie is, maar een sterke schakel in de ondersteuning van elke leerling.
Mee ondertekend door directies buitengewoon onderwijs van Katholiek Onderwijs Vlaanderen
Bruno Vanobbergen
Directeur-generaal Katholiek Onderwijs Vlaanderen