Bij de schaakvorm "freestyle" wordt, in tegenstelling tot klassiek schaken, de beginpositie van de achterste rij door loting bepaald. Het bepalen van het aantal mogelijke beginposities bij freestyle schaken is een telprobleem, dat m.b.v. de productregel en combinaties opgelost kan worden (LPD 47).
Bij schaken staan op de achterste rij steeds de volgende schaakstukken: 2 torens (T), 2 paarden (P), 2 lopers (L) , 1 koning (K) en 1 dame (D). Bij het klassiek schaken staan die schaakstukken op een vaste plaats: T - P - L - K / D - L - P - T, waarbij de dame steeds in het vak van haar kleur staat. De witte dame staat dus op een wit veld en de zwarte dame op een zwart veld.
Bij freestyle schaken staan die schaakstukken van de achterste rij niet op een vaste plaats, maar wordt de plaats door loting bepaald. Er moet wel voldaan zijn aan de volgende twee voorwaarden:
Vraag: hoeveel mogelijke beginposities zijn er zo voor de achterste rij?
Het aantal mogelijke beginposities kan worden bepaald door het aantal mogelijkheden voor de verschillende schaakstukken te bepalen.
Door de productregel zijn er dus 16.20.3 = 960 mogelijke beginposities bij freestyle schaken. Dit verklaart ook waarom freestyle schaken ook 'Chess 960' wordt genoemd.
Oplossingen van de bijkomende vragen:
