Er komen steeds meer erg jonge tieners terecht in instellingen en voorzieningen voor een veilig verblijf. Het zorgwekkende jaarrapport van de Commissie van Toezicht voor Jeugdinstellingen deed Bruno Vanobbergen in de pen kruipen. Hij trekt een parallel met het onderwijs, waar dezelfde fundamentele problematiek voelbaar is, en verbindt er beleidsconclusies aan in het kader van Scholen voor Iedereen.
De opinietekst lees je op de website van De Standaard en hieronder:
Het laatste jaarverslag van de Commissie van Toezicht voor Jeugdinstellingen, dat deze week werd voorgesteld, is pijnlijk om te lezen. Tegelijk is het onthutsend herkenbaar. Wie vandaag werkt met kinderen en jongeren, in onderwijs of welzijn, weet dat de noden toenemen en complexer worden. En dat we er onvoldoende in slagen om tijdig en gepast te antwoorden.
Het gaat om kinderen en jongeren die opgroeien in kwetsbare omstandigheden, die kampen met ernstige gedragsproblemen of mentale gezondheidsproblemen, of die geen stabiele thuisbasis hebben. Hun verhalen zijn niet nieuw. Wat wel nieuw is, is de schaal waarop deze problemen zich vandaag manifesteren én de vaststelling dat onze klassieke antwoorden tekortschieten. Meer van hetzelfde zal niet volstaan. Meer middelen alleen evenmin. De kern van de uitdaging ligt elders: in het anders organiseren van wat we vandaag al hebben.
De impact van een falend hulpverleningssysteem op het onderwijs wordt steeds zichtbaarder. Scholen worden plekken waar problemen samenkomen die elders geen antwoord meer vinden. Tijdens recente bezoeken aan scholen voor buitengewoon basisonderwijs zag ik hoe klassen soms evolueren tot leefgroepen, omdat leren onder druk staat wanneer zorg en veiligheid niet gegarandeerd zijn. Leerkrachten doen wat ze kunnen, vaak ver voorbij wat van hen verwacht mag worden.
Ook schoolinternaten nemen steeds vaker een rol op die eigenlijk buiten hun opdracht valt. Vandaag verblijven meer dan 1500 kinderen en jongeren op internaat na een beslissing van de jeugdrechter. Internaten tonen een groot engagement en een indrukwekkende gastvrijheid, werken sterke partnerschappen uit met jeugdhulppartners, maar geven tegelijk aan dat hun werking onder druk staat. De infrastructuur is niet altijd aangepast, de omkadering vaak onvoldoende voor de noden die zich stellen. Wat bedoeld is als een tijdelijke opvang, dreigt structureel te worden.
Daarnaast blijft het aantal doorverwijzingen naar het buitengewoon onderwijs hoog. Niet omdat scholen te snel opgeven, maar omdat ze te vaak alleen staan in het omgaan met complexe situaties. Het is een signaal dat we ernstig moeten nemen. Want waar onderwijs een antwoord niet meer kan bieden, dreigt uitsluiting.
Het is duidelijk: verder doen zoals vandaag is geen optie. Maar de oplossingen zijn niet eenvoudig. Ze zijn gelaagd.
Een eerste laag ligt binnen het onderwijs zelf. Scholen die inzetten op een helder pedagogisch project, op structuur, voorspelbaarheid en warme relaties, maken een wezenlijk verschil. De hernieuwde aandacht voor routines en duidelijke verwachtingen is geen stap terug, maar net een manier om houvast te bieden. In combinatie met sterke didactiek en hoge verwachtingen zien we hoe leerlingen groeien. Niet alleen cognitief, maar ook in welbevinden. Op die manier wordt preventief gewerkt: minder escalatie, minder nood aan intensieve zorg.
Maar dit is slechts één deel van het verhaal.
Minstens even belangrijk is een tweede laag: de structurele samenwerking tussen onderwijs en welzijn. Te vaak opereren beide werelden nog naast elkaar, elk met hun eigen logica, regelgeving en verwachtingen. Daardoor vallen kinderen en jongeren tussen de mazen van het net. Net zij die het meest nood hebben aan continuïteit, botsen op breuklijnen.
Het realiseren van een leerrecht voor elk kind is alleen mogelijk wanneer onderwijs en welzijn elkaar niet langer als afzonderlijke systemen benaderen, maar als partners in een gedeelde opdracht. Het leerrecht is immers meer dan toegang tot een klas. Het gaat over de reële mogelijkheid om te leren, om zich te ontwikkelen, om erbij te horen. Voor sommige kinderen betekent dat dat zorg en onderwijs onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Dat vraagt om nabijheid: hulpverleners die aanwezig zijn op school, leerkrachten die ondersteund worden door welzijnsprofessionals, gezamenlijke trajecten waarin niet het systeem maar het kind centraal staat. Het vraagt ook om vertrouwen en ruimte: om buiten de bestaande kaders te durven denken en handelen. Met de pioniersnetwerken “naar meer inclusie op school” die minister Demir vanaf volgend schooljaar wil opstarten, ligt hier een unieke kans.
Misschien is dat wel de kern van de uitdaging waar we vandaag voor staan. Niet kiezen tussen onderwijs of welzijn, maar erkennen dat we beiden nodig hebben. En meer dan dat: dat ze elkaar versterken. Binnen ons netwerk zetten we trajecten op om, samen met onze scholen, alvast op regionaal niveau deze schotten te doorbreken. Met Huizen van het Kind, Overkophuizen en jeugdhulpvoorzieningen vinden we daar partners.
We moeten blijven werken aan scholen voor iedereen. Scholen waar elk kind welkom is, waar verschillen geen probleem zijn maar een vertrekpunt. Maar we moeten ook eerlijk zijn: de school kan dit niet alleen. Alleen samen, over sectoren heen, kunnen we het verschil maken dat niet allen kinderen en jongeren vandaag zo hard nodig hebben, maar ook alle leerkrachten en opvoeders die zich vandaag met hart en ziel voor hen inzetten.
Bruno Vanobbergen, directeur-generaal Katholiek Onderwijs Vlaanderen