Lessuggestie: communicatie knettert

Iedereen heeft het ongetwijfeld al meegemaakt: je stuurt een neutraal berichtje, maar de ander leest het alsof je boos bent. Of iemand zegt iets in de klas, en jij denkt: wat bedoelt die nou eigenlijk? En dat terwijl jullie gewoon dezelfde taal spreken.
Dat komt omdat communicatie niet alleen uit woorden bestaat. Hoe je kijkt, hoe je iets zegt, hoe je bent opgegroeid of wat je gewend bent — dat speelt allemaal mee.
In deze lessuggestie ontdekken leerlingen waarom misverstanden zo makkelijk ontstaan, én hoe ze leren om elkaar écht te begrijpen.

Leerplandoelen

sla link op in klembord

Kopieer

LPD 4      De leerlingen reflecteren over het effect van verbaal, non-verbaal en paraverbaal gedrag op klanten of gesprekspartners.
LPD 6+    De leerlingen leggen groeps- en cultuurverschillen uit aan de hand van praktijkvoorbeelden van communicatie.

Lessuggestie

sla link op in klembord

Kopieer

Om te starten kan je de leerlingen een aantal situaties voorschotelen waarin zij aanduiden hoe zij zouden reageren.

Situatie 1: Je mag met de klas op uitstap en jullie mogen zelf kiezen waar jullie naartoe gaan. De klastitularis geeft jullie de kans om in de klas te overleggen en samen een beslissing te nemen. Iedereen geeft zijn mening. Hoe reageer jij?

  1. Ik durf de anderen te onderbreken en mijn mening geven. Zo toon ik dat ik betrokken ben.
  2. Ik wacht mijn beurt af en laat de anderen volledig uitspreken voor ik het woord neem.

Situatie 2: Jullie moeten in de groepschat beslissen of de klasactiviteit binnen of buiten doorgaat. 
  1. Ik schrijf duidelijk wat ik vind en waarom.
  2. Ik wacht tot anderen hebben gereageerd zodat ik voel wat de groep wil.

Situatie 3: In de sportles vraagt de leraar wie er het materiaal wil klaarzetten.
  1. Ik steek mijn hand op en zeg meteen: “Ik wil dat wel doen.”
  2. Ik kijk iemand van mijn team aan en knik, in de hoop dat hij of zij begrijpt dat wij het samen willen doen.

Situatie 4: Je vriend(in) lijkt boos op je, maar jij weet niet waarom.
  1. Ik vraag meteen wat er aan de hand is, zodat we het snel kunnen oplossen.
  2. Ik kijk naar zijn/haar houding en toon, en probeer uit te maken wat er mis is zonder het te vragen.

Situatie 5: Je maakt een groepswerk. Jullie moeten de taken eerlijk verdelen.
  1. Ik zeg meteen welke taak ik wil en welke ik liever niet doe.
  2. Ik zeg niets, maar hoop dat iemand mij een taak geeft die me ligt.

Laat de leerlingen daarna het aantal keren optellen dat ze antwoord 1 of 2 hebben aangekruist. Vervolgens kunnen ze in de uitleg nalezen wat hun keuzeprofiel zegt over hun communicatiestijl.

Je had vooral antwoord 1? Je communiceert duidelijk en rechtuit.
Je houdt ervan wanneer mensen precies zeggen wat ze bedoelen. Structuur, uitleg en duidelijke afspraken helpen jou vooruit. Als er misverstanden zijn, praat je er het liefst gewoon meteen over.
 
Je had vooral antwoord 2? - Je communiceert eerder tussen de regels.
Je let sterk op lichaamstaal, toon en sfeer, en je voelt vaak aan hoe iemand zich voelt zonder dat die het zegt. Te directe communicatie vind je soms ongemakkelijk. Jij begrijpt veel uit wat níét gezegd wordt.

Je kan de leerlingen laten vertellen of ze zichzelf herkennen in deze beschrijving.
 Stimuleer hen om voorbeelden te geven uit hun eigen ervaringen of situaties waarin hun communicatiestijl duidelijk naar voren kwam.

De Amerikaanse Edward T. Hall was een Amerikaanse antropoloog die onderzocht hoe mensen uit verschillende culturen met elkaar communiceren en wordt gezien als één van de grondleggers van interculturele communicatie.
Hij ontdekte dat sommige culturen heel duidelijk en rechtstreeks communiceren (low‑context), terwijl andere meer werken met lichaamstaal, stiltes en impliciete signalen (high‑context).

Hall beschreef high‑context en low‑context communicatie als twee tegenovergestelde uitersten, alsof het zwart‑wit categorieën zijn. In de werkelijkheid loopt communicatie natuurlijk veel meer door elkaar en gebruiken de meesten onder ons een mix van beide stijlen, afhankelijk van de situatie of de persoon tegenover hen.
 
Maar Hall zette de twee uitersten zo scherp neer om duidelijk te maken welke verschillen er bestaan tussen communicatievormen in verschillende culturen. Zijn model helpt ons dus niet om mensen “in een hokje te steken”, maar om onderliggende patronen te herkennen die helpen verklaren waarom misverstanden soms ontstaan.
 
Je kan de leerlingen de kenmerken van low‑context en high‑context communicatie volgens Hall tonen. In de profielen van de test zullen ze deze kenmerken waarschijnlijk snel herkennen, omdat de situaties duidelijk aansluiten bij Halls onderscheid.
Hall koppelde deze communicatiestijlen bovendien aan landen en regio’s: sommige culturen communiceren veel directer (meer low‑context), terwijl andere culturen net veel sterker vertrouwen op lichaamstaal, stiltes en impliciete betekenissen (meer high‑context).

Laat de leerlingen eens testen of ze de juiste combinaties kunnen maken:

Welke stijl past volgens Hall bij welke regio?
 

  1. Japan, China, Arabische landen, Afrika, Latijns-Amerika, Frankrijk en verschillende Zuid-Europese landen
  2. Verenigde Staten, Australië, Engeland, Duitsland, Nederland en Scandinavië


 
Regio ....
Low‑context communicatie
 
  • Je bent duidelijk, direct en rechtuit.
  • Je wil dat mensen precies zeggen wat ze bedoelen.
  • Afspraken moeten expliciet zijn.
  • Als iets onduidelijk is, vraag je het meteen.

Regio ...
High‑context communicatie
 
  • Jij communiceert vooral tussen de regels door.
  • Je let op toon, lichaamstaal, sfeer.
  • Je houdt niet van té direct of bot.
  • Je probeert gevoelens en bedoelingen aan te voelen. 

België wordt door Hall nergens expliciet geplaatst, maar je kan leerlingen uitnodigen om zelf te bespreken of Vlaanderen en Wallonië volgens hen meer richting low‑ of high‑context neigen.

Het zal voor de leerlingen meteen duidelijk zijn dat interculturele verschillen in communicatie voor misverstanden kunnen zorgen, in de klas, maar ook op het werk.

Voor een internationaal project is een Vlaamse medewerker op bezoek in Frankrijk. Hij zet de vergaderruimte klaar, en merkt dat er één stoel te weinig staat. De meeting kan elk moment beginnen, dus hij besluit snel in het lokaal ernaast een extra stoel te gaan lenen. Hij stapt binnen, ziet een vrije stoel en vraagt haastig: “Je peux prendre une chaise?” De Franse collega achter het bureau kijkt op, zichtbaar verrast — en meteen ook licht misnoegd. Zijn wenkbrauwen gaan omhoog, zijn blik wordt strak. “Bonjour…?” zegt hij koel, terwijl hij de Vlaming blijft aankijken.

Een maandagmorgen in een hypermodern vergadercentrum in Tokyo. Aan één kant van de tafel zit een Amerikaanse manager, vastberaden en helder in zijn communicatie. Aan de andere kant zit zijn Japanse collega, rustig observerend, stil, beleefd. De Amerikaan legt een voorstel op tafel en vraagt: “So, do we have a deal?”. Er valt een lange stilte. De Japanner knikt langzaam en zegt zacht: “We will consider it.” De Amerikaan noteert tevreden in zijn agenda: akkoord bereikt.

In een internationaal projectteam werkt een Nederlandse ingenieur samen met een Italiaanse collega. Tijdens een drukke vergaderweek geeft de Italiaan een presentatie over de voortgang van hun onderzoek. Zodra hij klaar is, bladert de Nederlander door de cijfers en zegt vriendelijk, zonder omwegen: “Je cijfers kloppen niet, dit moet opnieuw.” Bij de Italiaanse collega slaat de opmerking in als een klap.

Tijdens een vergadering in Spanje met één Noorse deelnemer valt het op dat de Noorse collega steeds pauzes laat vallen voor hij spreekt. De Spaanse voorzitter krijgt de indruk dat de Noor niet akkoord gaat en vraagt bezorgd: “Is er een probleem? Ben je het ergens niet mee eens?” De Noor kijkt verbaasd op, hij is gewoon aan het nadenken.

De leerlingen zullen ongetwijfeld vastgesteld hebben dat Nederlanders té direct kunnen klinken voor een Italiaan, dat Fransen erg veel belang hechten aan het beleefdheidsritueel en stilte in bepaalde culturen geïnterpreteerd wordt als een akkoord, terwijl het in andere culturen gebruikt wordt om beleefd af te keuren of gewoon om na te denken.

Deze misverstanden ontstaan niet alleen door de gebruikte woorden, maar vooral door non-verbale en paraverbale signalen. Je kan hierbij verwijzen naar de bekende 7-38-55-regel van Albert Mehrabian, die aantoont dat de impact van een boodschap vooral wordt bepaald door hoe je iets zegt. Slechts 7% van de betekenis zit in de woorden zelf, terwijl 38% voortkomt uit de toon en 55% uit lichaamstaal.

Daardoor kunnen boodschappen gemakkelijk verkeerd worden geïnterpreteerd wanneer toon, houding of stilte anders worden ingevuld dan bedoeld. Dit verklaart ook waarom interculturele communicatie zo snel fout loopt: niet omdat mensen elkaar niet willen begrijpen, maar omdat ze dezelfde signalen op een andere manier lezen dan in hun eigen cultuur gebruikelijk is.

Ten slotte kan je de leerlingen per twee een filmpje laten maken, met als titel: De Context Challenge: dezelfde boodschap, twee manieren.

Elk duo krijgt één eenvoudige boodschap, zoals “Je hebt je taak niet gemaakt.”, “Kunnen we morgen samenwerken?”, “Ik vind jouw idee niet goed.”
 
Ze schrijven of spelen die boodschap:

  • een keer in low‑context stijl (heel duidelijk, direct, geen omwegen)
  • een keer in high‑context stijl (zachter, indirect, via hints, lichaamstaal)
In groepjes kan je hen daarna laten reflecteren over de opdracht:
  • Hoeveel verschil zit er in beide boodschappen?
  • Welke stijl vond je makkelijker?
  • Hoe zou iemand uit een andere cultuur dit begrijpen?

×
Kijkt als...
Niveau
Regio
Kan ik je helpen?