Inspirerend materiaal

Filter

Inspirerend materiaal

Leerplandoel 9

De leerlingen onderscheiden kenmerken van de verschillende maatschappelijke domeinen voor westerse en niet-westerse samenlevingen uit de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Kenmerken van westerse en niet-westerse samenlevingen uit de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd: Politiek: staatsvorming en veranderende territoriale invulling; imperialisme; kolonialisme; politieke revolutie; bestuurlijke organisatie en staatsvorm, grondwet°, volkssoevereiniteit°, vertegenwoordiging°, (de)centralisatie°, rechtspraak°; Sociaal: gelaagde samenleving, nomadische, agrarische en industriële samenleving; stedelijke samenleving; (on)gelijkheid; (on)vrijheid; slavernij; oorlog, geweld en vrede; minderheden; migratie; demografische processen°, gezinsorganisatie°, interactie met de natuur°; wij-zij-denken°; burgerrechten°; Cultureel: kunst- en cultuuruiting; filosofie; levensbeschouwing en levensbeschouwelijke organisatie; religieuze hervorming en breuk; multiculturele samenleving; wetenschappen en technologie; drukkunst; traditie en gewoonte°; mens- en wereldbeeld°; mentaliteit°; culturele en artistieke stroming°; onderwijs°. Economisch: economische systemen; landbouw; nijverheid; handel; industrialisering; mondialisering; kapitalisme; koopkracht en levensstandaard; arbeidsorganisatie; vraag en aanbod°; concurrentie°; commercialisering°; overheidsregulering°; transport(r)evolutie°; innovatie° ° = optionele kenmerken

Leerplandoel 8

De leerlingen situeren gebeurtenissen, personen, processen, kunst- en cultuuruitingen en historische bronnen uit de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd in tijd, ruimte en de maatschappelijke domeinen.

Leerplandoel 7

De leerlingen nuanceren periodisering op basis van een vergelijking tussen de courante westerse periodisering en andere periodiseringen in tijd en ruimte. Principes van periodisering: afbakening op basis van een selectie van kenmerken en van gebeurtenissen, symbolische begin- en einddatum, constructie achteraf, keuze van een tijdrekening Beperkingen van periodisering in tijd, ruimte en maatschappelijke domeinen.

Leerplandoel 6

De leerlingen kennen de courante westerse periodisering en enkele bijhorende scharnierpunten en kenmerken van de periodes, in het bijzonder voor de middeleeuwen en vroegmoderne tijd. De periodes: prehistorie, oude nabije oosten, klassieke oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd

Leerplandoel 5

De leerlingen onderscheiden de drie dimensies van het historisch referentiekader en bijhorende structuurbegrippen. Dimensies van het historisch referentiekader: tijd, ruimte en de maatschappelijke domeinen Structuurbegrippen: tijd: millennium, eeuw, jaar, tijdrekening, chronologie, periode, continuïteit, verandering, breuk, evolutie, revolutie, duur, gelijktijdigheid, ongelijktijdigheid; ruimte: lokaal, regionaal, stedelijk en ruraal, continentaal en maritiem, (West-)Europees, westers en niet-westers, mondiaal, centrum-periferie, open-gesloten ruimte; maatschappelijke domeinen: politiek, sociaal, cultureel, economisch

Leerplandoel 4

De leerlingen stellen historische vragen over historische en actuele gebeurtenissen, personen en processen.

Leerplandoel 39

De leerlingen analyseren concrete situaties m.b.t. mensenrechten Erkenning, naleving en schending van mensen- en kinderrechten Mensenrechten en kinderrechtenverdrag Mensenrechtenorganisaties

Leerplandoel 38

De leerlingen begrijpen aan de hand van actuele gebeurtenissen hoe democratische besluitvorming werkt in Vlaanderen, België en de Europese Unie.  verkiezing, coalitie, meerderheid, oppositie, politieke partij relatie tussen bestuursniveau en bevoegdheid  binnen de respectievelijke bestuursniveau’s

Leerplandoel 37

De leerlingen illustreren met historische en actuele voorbeelden vormen van onverdraagzaamheid, discriminatie en racisme.

Leerplandoel 36

De leerlingen lichten principes en uitgangspunten toe van de democratische rechtsstaat en hun onderlinge samenhang vanuit hedendaags en historisch perspectief: democratie en rechtsstaat scheiding der machten scheiding van kerk en staat grondrecht grondwet vrijheid- en gelijkheidsbeginsel

Leerplandoel 35

De leerlingen geven gelijkenissen en verschillen aan tussen actuele en historische fenomenen uit de bestudeerde periodes.

Leerplandoel 34

De leerlingen analyseren de historische betekenissen die zij zelf of anderen geven aan historische fenomenen uit de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd.

Leerplandoel 33

De leerlingen verklaren collectieve herinnering van historische fenomenen: oorsprong van collectieve herinnering functies van collectieve herinnering Vormen van collectieve herinnering.

Leerplandoel 32

De leerlingen herkennen historische argumenten in actuele debatten.

Leerplandoel 31

De leerlingen analyseren de invloed van de eigen standplaatsgebondenheid en die van anderen op historische beeldvorming.

Leerplandoel 30

De leerlingen verklaren het onderscheid tussen verleden en geschiedenis.

Leerplandoel 3

De leerlingen evalueren de onderzoekbaarheid van een historische vraag.

Leerplandoel 29

De leerlingen verklaren verschillen tussen de historische beeldvorming over eenzelfde historisch fenomeen in het licht van een historische vraag.

Leerplandoel 28

De leerlingen vullen historische beeldvorming aan d.m.v. kritische analyse van bronnen toepassing van historische redeneerwijzen.

Leerplandoel 27

De leerlingen selecteren informatie uit een historische beeldvorming om een historische vraag te beantwoorden, rekening houdend met de evaluatie van die historische beeldvorming.

Leerplandoel 26

De leerlingen evalueren een historische beeldvorming via: het perspectief van tijd; het perspectief van ruimte; het perspectief van de maatschappelijke domeinen: politiek, sociaal, cultureel, economisch; de gebruikte argumentatie: continuïteit en verandering; oorzaak, gevolg de kwaliteit van de argumentatie: drogreden anachronisme veralgemening stereotypering de standplaatsgebondenheid van de maker van de beeldvorming

Leerplandoel 25

De leerlingen wijzen in een historische beeldvorming aan waar die beïnvloed is door de beperkingen inherent aan bronnen.

Leerplandoel 24

De leerlingen benoemen in een historische beeldvorming historische redeneerwijzen in termen van: (structurele en incidentele) oorzaak, bedoelde en onbedoelde gevolgen, aanleiding, toeval; continuïteit, verandering evolutie-revolutie gelijktijdigheid, ongelijktijdigheid perspectief historische inleving  bedoelde en onbedoelde gevolgen (en handelingen) argument, bewijs menselijke en structurele (f)actoren analogie verband veralgemening stereotypering

Leerplandoel 23

De leerlingen suggereren andere historische bronnenwaarmee een bestudeerde historische bron kritisch geconfronteerd kan worden in het licht van een historische vraag.

Leerplandoel 22

De leerlingen verklaren mogelijke verschillen tussen twee historische bronnen over hetzelfde onderwerp.

Leerplandoel 21

De leerlingen vergelijken historische bronnen om een historische vraag te beantwoorden, rekening houdend met het redeneren over historische bronnen.

Leerplandoel 20

De leerlingen leiden informatie af uit een historische bron om een historische vraag te beantwoorden, rekening houdend met het redeneren over historische bronnen.

Leerplandoel 2

De leerlingen situeren een historische vraag in het historisch referentiekader: tijd, ruimte en de maatschappelijke domeinen.

Leerplandoel 19

De leerlingen beoordelen de betrouwbaarheid van een historische bron in functie van een historische vraag aan de hand van de volgende criteria: standplaatsgebondenheid van de auteur/maker (gesitueerd in een algemeen-maatschappelijke context); doelpubliek functie en (on)beoogd effect argumentatie interpretatie veralgemening vooroordeel

Leerplandoel 18

De leerlingen beoordelen de representativiteit van een historische bron in functie van een historische vraag.

30 van 40

×
Kijkt als...
Niveau
Regio