Parlementaire activiteiten

3 december 2020 – “Waartoe dienen hoorzittingen, als er niet geluisterd wordt?”
  • (bu)so

Na het langverwachte advies van de Raad van State in deze belangrijke onderwijskwestie kwamen deze vragen om uitleg van Koen Daniëls en Jan Laeremans niet onverwacht. Maar dat we een haast pure (en soms letterlijke) heruitzending kregen van de hoorzitting van 29 oktober … tja, wellicht was het toch te naïef om te verwachten dat bepaalde inzichten na slechts deze korte tussentijd al gerijpt zouden zijn. Maar waartoe dienen hoorzittingen, als er niet geluisterd wordt? Bijkomende vaststelling, maar ook helemaal niet onverwacht, gelet op het verleden: bij gebrek aan “liberale” tussenkomsten in het debat, schaarden nu de bij de hoorzitting afwezigen, Groen-Parlementslid Elisabeth Meuleman en sp.a-fractieleider Hannelore Goeman, zich helemaal achter N-VA-Parlementslid Koen Daniëls, die zelf het communicatieve discours van Open Vld-Parlementslid Jean-Jacques De Gucht ten tijde van die hoorzitting nu overnam. Vanop mijn bescheiden hofnarpositie kan ik alleen maar hopen dat alle onderwijsmensen uit het Vlaamse katholiek onderwijs én daarbuiten zich die realiteit nu eens eindelijk zouden herinneren bij de eerstvolgende gelegenheid waarop de zo bevochten democratische plicht moet worden vervuld: de keuze tussen staatspedagogie en vrijheid van onderwijs.

Op basis van het voorgaande moet ik hier de introductie van vragensteller Daniëls niet nog eens herhalen, maar toch wijs ik graag, -- omdat het zo cruciaal is en alles verklaart --, op de van meet af aan verkeerde (want niet conform de eigen regelgeving van het eigen Parlement) voorstelling van het werk van de ontwikkelcommissies: eindtermen, die minimumdoelen horen te zijn, vormen nét als gevolg van dat laatste, niet de héle inhoud van het onderwijs, maar het was net wel die piste die in die ontwikkelcommissies gevolgd moest worden (en hier nu opnieuw door Daniëls aangehangen werd; ja, onderwijscommissaris Daniëls, ik vind uw schouwspel óók heel bizar) en bovendien dan nog eens zonder een overkoepelende commissie die via goede methodieken gelijk een controlerend oog zou houden op het geheel van de voorgestelde eindtermen in de diverse ontwikkelcommissies. Wat was de reactie van minister Weyts op het advies van de Raad van State en welke mogelijkheden zag hij om tegemoet te komen aan dat advies, zo vroeg Daniëls aan de minister. Ondanks zijn intro voelde de vragensteller dus blijkbaar toch ook de noodzaak om in te grijpen in de voorliggende set eindtermen, zo bedacht ik me dan weer.

De tweede vragensteller, Jan Laeremans, schetste goed de stand van zaken, maar onthield zich, naar eigen zeggen, van eigen commentaar daarop. Hij had ongeveer dezelfde, -- maar dan nog wat gedetailleerder door o.a. explicieter te verwijzen naar mogelijk overleg met de onderwijsverstrekkers en naar het timingprobleem --, vragen voor de minister als vragensteller Daniëls.

Minister Weyts onderschatte de hele discussie over de eindtermen niet, zo begon hij zijn betoog, maar meteen relativeerde hij toch het advies van de Raad van State, waarbij hij zich nog wel even vergiste van jaartal en regio. Dat laatste vergaf ik hem graag. Wat veel crucialer was, was dat hij veel te licht ging over het argument in het advies van de Raad van State i.v.m. wat in 1996 gebeurd was. Dat stond nochtans uitdrukkelijk ook in onze derde eindtermenkrant (en neen, dat was geen pamflet …) mét verwijzing naar en toelichting van wat nadien via een nieuw decreet in 1997 (cf. p.2 van de memorie van toelichting) gerealiseerd werd. Als de minister die geschiedenis van toen goed begrepen had, zou hij er zich nu niet van hebben afgemaakt met dat simplistische “appels met peren vergelijken”. Overigens overtuigde zijn redenering rond de eindtermen eerste graad ook niet helemaal. Het oordeel destijds van de Raad van State mag dan wel anders geweest zijn, maar hoe zou het intussen nog zijn met de realisatie van de eindtermen (versus de beschikbare onderwijstijd én in het licht van de onderwijsvrijheid) in die eerste graad? En net als zijn partijgenoot Daniëls nam de minister, na die aanvankelijke relativering, dan toch wat gas terug en liet hij blijken dat hij het advies toch niet zomaar naast zich neer kon leggen. Overleg met alle koepels en nethoofden, samen aan onderwijskwaliteit werken: dát was de boodschap. De ambitie van de minister bleef om de zaak op de Vlaamse regering af te ronden vóór het jaareinde. Afwachten of die timing compatibel is met de geplande werkvorm.

In zijn repliek ging Daniëls door op zijn elan van de hoorzitting en uit zijn redenering kon ik alleen afleiden dat hij onze eindtermenkranten blijkbaar toch nog niet zo goed gelezen had. Laeremans bleek wel oren te hebben naar enkele cruciale problemen, zoals die ook in die kranten goed toegelicht werden, en herhaalde zijn terechte zorg om de timing.

Door omstandigheden buiten hun wil waren interveniënten Hannelore Goeman en Elisabeth Meuleman afwezig tijdens de hoorzitting, maar ze kwamen dan nu tussen op de verwachte manier. Goeman was het eens met Daniëls (weliswaar mét haar reserve ten aanzien van de modernisering secundair onderwijs, -- ook dat is bekend), was ook erg bezorgd over de timing (zoals Laeremans en Daniëls) en vroeg minister Weyts wanneer hij de decretale teksten in het Vlaams Parlement dacht te brengen voor bespreking. Meuleman herhaalde dat verhaal nogmaals, incl. enkele grote, kritische woorden. Een duidelijke coalitie dus van N-VA, sp.a en Groen. We zijn het niet meteen gewoon in het politieke landschap. Meulemans terechte verwijzing naar het hangende proces rond de eindtermen basisonderwijs kon ik dan weer wel heel erg appreciëren. Een proactieve houding daar nu lijkt aangewezen om hopelijk niet in het verhaal van de ezel te belanden … Evenmin onverwacht liet interveniënt Loes Vandromme een andere stem horen. Ze sloot zich ook nog wel aan bij de zorg van Daniëls om toch iets te doen met het advies van de Raad van State, maar voor (eenvormige) staatspedagogie paste zij vervolgens even duidelijk, nét met het oog op onderwijskwaliteit. Een pragmatische oplossing lag voor Vandromme in overleg met de ontwikkelingscommissies, met de onderwijsverstrekkers, met AHOVOKS, zodat er oplossingen zouden gevonden worden voor zowel diverse gesignaleerde problemen als voor de concrete regeling inzake leerplannen en implementatie van de eindtermen. Ten slotte uitte Vandromme ook haar zorg voor het basisonderwijs.

Minister Weyts herhaalde zijn standpunt, ook inzake timing, en besloot met een toch enigszins ironische “… en dat we vervolgens naar onze grote baas, het parlement, kunnen komen.” Ook vragensteller Daniëls herhaalde zijn standpunt, waarbij hij het voor de zoveelste keer bleef vertikken om de juiste betekenis van een vereniging van schoolbesturen te zien én bovendien er zich voor het complexe verhaal van de zgn. dalende onderwijskwaliteit wel met een heel simplistische redenering van afmaakte. Ten slotte hoorde ik van vragensteller Laeremans, met wie ik het vaak oneens ben, toch veel wijzere uitspraken. Eén schoonheidsfoutje nog: de voorliggende set eindtermen is geen minimumstof voor zes jaar, wel voor vier jaar.

Reageren kan bij Wilfried Van Rompaey: wilfried.vanrompaey@katholiekonderwijs.vlaanderen

Verwante artikels

OVER DEZE BLOG

Deze blog is niet bedoeld als formeel standpunt van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, evenmin als een puur verslag, maar wel als een niet-neutraal, persoonlijk commentaar op vooral ook politieke aspecten van de parlementaire onderwijsactiviteiten, zowel in de Commissie Onderwijs en de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement als uitzonderlijk ook in een andere vakcommissie die occasioneel relevant kan zijn voor het beleidsdomein Onderwijs.

×
Kijkt als...
Niveau
Regio